Ga naar: navigatie, zoeken

Valsemunterij

Vervalsing gorcumse rozenobel.jpg

valsemunterij, of het plegen van muntmisdrijven, is een vorm van bedrog of misleiding door middel van wederrechtelijke namaak of van vervalsing van munt- en papiergeld, met het oogmerk dat voor echt te laten circuleren. Het behoort met o.a. valsheid in geschrifte, lasterlijke aanklacht en valsheid in handelsnaam of merken tot de zgn. valsheidsdelicten, waarop in het (Nederlandse) Wetboek van Strafrecht of het (Belgische) Strafwetboek zware vrijheidstraffen zijn gesteld. Deze vallen onder het universaliteitsbeginsel; ze gelden ongeacht de nationaliteit van de dader en de plaats van het delict. Het strafrecht kent als resultaat van muntmisdrijven vanouds drie begrippen: valse munten, vervalste munten en geschonden munten.

Geschonden munten zijn het resultaat van snoeien en zijn in wezen een vorm van vervalste munten, zodat er in feite twee categorieën valsemunterij bestaan, te weten: valsemunterij in engere zin (Du. Falschmünzerei) en muntvervalsing (Du. Münzfalschung).

Valsemunterij in engere zin behelst het namaken, het illegaal produceren, van munten, meestal op een lagere intrinsieke waarde dan wettelijk is voorgeschreven, om deze als echt in circulatie te brengen. Het resultaat zijn valse munten van een minderwaardige substantie (koper, lood of zink in plaats van goud of zilver) en met een min of meer juiste beeldenaar. Men produceert deze munten door gieten in gietvormen van gips of pijpaarde, door slaan met behulp van niet-officiële stempels, of door galvanoplastische reproductie. Tot het type van de valse munten kan men ook de groep van hagemunten rekenen die vaak minderwaardige imitaties van gangbare en gezochte munten waren.

Muntvervalsing behelst alle echte muntspeciën, waaraan frauduleus veranderingen teweeg zijn gebracht en waarvan het resultaat vervalste munten zijn; vervalst geld. Meestal geschiedt vervalsing opdat munten met een lage waarde voor munten met een hoge waarde zullen doorgaan, hetgeen men tracht te bereiken door (b.v. koperen) munten langs galvanoplastische weg te kleuren (verzilveren, vergulden) en de beeldenaar bij te werken.

Behalve deze groep gemajoreerde (verhoogde) munten kent men ook de groep van geschonden of verlaagde munten. Daarbij is bij goede munten een deel van het (edel)metaal weggenomen. Dit kan geschieden aan het oppervlak van de munt langs chemische of galvanoplastische weg, aan het kerngedeelte van een (grote en dikke) munt door splitsing en uitboring, of aan de rand door middel van snoeien. In het spraakgebruik wordt niet altijd duidelijk onderscheid gemaakt tussen valsemunterij en muntvervalsing.

Met de invoering van papiergeld werd ook namaak en vervalsing daarvan als muntmisdrijf aangemerkt. Tot de vervalsingsprocédés bij papiergeld behoort het majoreren ("opwaarderen") door het coupurebedrag in een hoger bedrag te wijzigen, het splitsen door voor- en keerzijde van een biljet van elkaar te scheiden, het mutileren door een smal strookje uit een biljet te snijden. Behalve namaak en vervalsing van geld, beschouwt men ook het in voorraad hebben en het in omloop brengen van vals en vervalst geld als muntmisdrijf, alsmede het vervaardigen en in voorraad hebben van instrumenten of materialen bestemd voor namaak en vervalsing van geld.

Omdat muntmisdrijven grote gevolgen kunnen hebben voor de gehele maatschappelijke ordening, zijn zij altijd door de overheid bestreden. De preventieve muntmisdrijfbestrijding bestaat uit een technische en een juridische. De technische beveiliging (beveiliging van munten) treffen we wellicht reeds in de Oudheid aan bij de zgn. serrati. Om namaak van papiergeld tegen te gaan werd ook dit al vrij vroeg voorzien van een aantal technische beveiligingen tegen namaak, die betrekking hebben op het papier, de druktechniek en het ontwerp van de biljetten; beveiliging van bankbiljetten.

De juridische beveiliging tegen namaak werd bereikt door strenge voorschriften inzake gehalte en gewicht van de munt (muntwetten) en strikte voorschriften voor de muntmeesters (muntinstructies) en wisselaars (beeldenaars), uitbanning van hagemunterij, centralisering van de muntslag in slechts enkele ateliers en een verscherpt toezicht op het muntwezen door middel van essayeur en waardijn. Voorts allerlei verbodsbepalingen en dit alles onder niet mis te verstane strafdreigingen. Naast deze preventieve ge- en verboden bestaat er ook een repressieve muntmisdrijfbestrijding door middel van waarschuwing (plakkaat en manuaal), opsporing (vaak onder toekenning van een aanbrengerspremie) en bestraffing.

De bestraffing van muntmisdrijven was vanouds zeer streng: in de Oudheid een straf tegen het leven, in de Karolingische tijd lijfstraf en boete. Toen bestond die lijfstraf uit het afhakken van de rechterhand, een straf voor diefstal. Spoedig echter werd valsemunterij beschouwd als beroving van het volk (spoliatio pauperum) en zelfs als heiligschennis (sacrilegium). In de 13e eeuw echter beschouwde men muntmisdrijven als een aantasting van het muntrecht van de vorst, dus als majesteitsschennis (laesio majestatis). Dientengevolge werd een dergelijke capitael crimen als halszaak afgedaan met een straf tegen het leven: de doodstraf door middel van de brandstapel of de ketel en in minder ernstige gevallen het zwaard, doch in alle gevallen met verbeurdverklaring van de goederen van de dader. Na 1500 werden valsemunters gewoonlijk ter dood veroordeeld door het zwaard, de galg of door wurging, eveneens met verbeurdverklaring. Als bijkomende straffen voor minder ernstige vergrijpen of bij verzachtende omstandigheden kende men verbeurdverklaring, verbanning, terkaakstelling, geseling en brandmerking met de letter FM (falsator monetae). Sinds de 18e eeuw heeft men zich in de Republiek voor de uitvoering van de strafbepalingen echter beperkt tot de bijkomende straffen.

G.

Lit.:

Graaf, C. de, Den valscher den ketel (?); bestraffingen van muntmisdrijven in Holland, Zeeland en Utrecht ca. 1300-ca. 1600, JMP (1995) 77-180;

Grolle, J.J., Mundus vult decipi; crimineel aspect van de Nederlandse muntslag, De Beeldenaar 1992-6 e.v.;

Koning, J., en J.J. Grolle, Het namaken en vervalsen van munten en bankbiljetten, in De geschiedenis van het geld; handboek numismatiek, Amsterdam/Utrecht 1992, blz. 152-165;

Voigtlaender, H., Falschmünzer und Münzfalscher; Geschichte der Geldfalschung aus 2½ Jahrtausenden, Munster, 1976.