Ga naar: navigatie, zoeken

Tin

tin,

1. metaal met geringe hardheid en laag smeltpunt. Het werd al vroeg in de landen waar tinerts voorkomt als muntmetaal gebruikt, want het is gemakkelijk te gieten en te slaan. In Europa werd tin vanouds vooral in Cornwall gevonden. Daar werden er al voor de komst van de Romeinen munten van gemaakt. Ook later zijn in Engeland halfpennies (1689-92) en farthings (17e-19e eeuw) van tin uitgegeven. Het tin uit Achter-Indië is al voor het koloniale tijdperk in Siam (Thailand) en India tot munten verwerkt, bazaroek, pitje. Ook de koloniserende mogendheden deden dat: Nederlanders, Britten en Portugezen.

Tinnen munten worden door de oxidatie grauw en ze slijten snel; door te legeren met lood en antimoon wordt de slijtbestendigheid beter maar wordt het metaal ook brosser. Door de gemakkelijke gietbaarheid werd tin vaak gebruikt voor valsemunterij. Deze toepassing kwam al in de Oudheid voor. Ook voor noodmunten (noodgeld) werden tin en tinlegeringen gebruikt.

Niet monetair is de toepassing voor loodjes, ook hier weer vanwege de goede bewerkbaarheid. De geringe slijtbestendigheid is minder een bezwaar bij de toepassing voor penningen: in de 17e en 18e eeuw zijn nogal eens goedkope edities van penningen in tin uitgevoerd; tinpest, de overgang van tin in poeder, die bij de bewaring van tinnen voorwerpen in onverwarmde ruimtes kan optreden, komt bij tinnen munten nagenoeg niet voor.

2. metaalstrip waaruit de muntplaatjes of rondellen gemaakt worden, tinnen.

K.

Lit.:

Hammer, P., Metall und Münze, Leipzig/Stuttgart 1993.



  • Tin alkmaar daalder 1573.jpg
  • Tin noodmunt ieper.jpg
  • Tin oudenaarde noodmunt 20 st 1582.jpg
  • Tin schoonhoven 12 st 1575.jpg
  • Tin voc tinnen duit 1797.jpg