Ga naar: navigatie, zoeken

Tiel

Tiel penning 11e eeuw.jpg

Tiel, Nederlandse gemeente, prov. Gelderland, aan de Waal. Vermoedelijk omstreeks 889 ontstaan, doordat zij de functie van havenplaats van Dorestad, dat in 863 na de totale verwoesting door de Noormannen niet meer is herbouwd, kon overnemen en doordat het doorvoerverkeer zich geleidelijk aan van de Rijn naar de Waal had verlegd. Tiel ontwikkelde zich vervolgens tot een belangrijke plaats, aan het bezit waarvan de Duitse koning/keizer erg veel waarde hechtte. Het bezat een "koningshof', dat tot de rijksgoederen behoorde en dat werd bestuurd door een keizerlijke prefect. Tiel beleefde haar bloeitijd in de 11e eeuw, vooral onder Hendrik II en Koenraad II. In de loop van de 11e eeuw ging de functie van havenplaats geleidelijk verloren, doordat de doorvoerhandel zich verlegde naar het westelijker gelegen Dordrecht.

Onder Otto III werd in Tiel een Rijksmunt opgericht, die vooral in de eerste helft van de 11e eeuw een zeer hoge productie-intensiteit moet hebben gehad, die weinig voor Deventer moet hebben ondergedaan. Er zijn uitsluitend en op grote schaal zilveren penningen geslagen, die vrijwel zonder uitzondering slecht zijn afgewerkt. Ze dragen alle de naam van de Duitse koning/keizer.

Onder Otto III werden slechts enkele penningen geslagen met op vz een kort kruis met in elk der kwadranten een bol en op kz een langer kruis. Onder Hendrik II, Koenraad II en Hendrik III werden de Tielse munten gekarakteriseerd door een lange smalle keizerskop op vz, die onder de eerste twee keizers, mogelijk in relatie tot de Utrechtse geestelijkheid, soms geflankeerd wordt door een kruisstaf en een scepter. De keerzijden vertonen meer variatie: de tekst S/COLONI/A naar het voorbeeld van Keulse penningen (niet onder Hendrik III en IV), een kort kruis met in elk der kwadranten een bol al of niet voorzien van het omschrift TIELE, de plaatsnaam TIELE BONA of een hand naar het voorbeeld van Deventer (niet onder Koenraad II en Hendrik IV).

Mogelijk naar het voorbeeld van de bisschoppelijke munten van Utrecht werden er na ca. 1030 ook penningen met een bredere keizerskop geslagen, maar onder Hendrik IV staat op de vz uitsluitend een keizerskop naar links of naar rechts gewend. Op de kz staat dan weer het korte kruis met een bol of een liggend kruisje in elk kwadrant. Dit laatste type penning werd overigens ook al onder Koenraad II en Hendrik III geslagen. Omstreeks 1100 is er een vrij abrupt einde gekomen aan de activiteiten van het keizerlijke muntatelier, waarbij het verlies van de functie van havenplaats mogelijk een rol heeft gespeeld.

Zie voor de overige muntplaatsen in de Nederlanden de lijst muntplaatsen.

W.


Lit.:

Hatz, G., Tieler Denare des 11. Jahrhunderts, Commentationes de nummis in Suecia repertis II (1968);

Wit, G.W. de, De muntslag in Tiel, De Beeldenaar (1989) 75-80.


Muntheren
Otto III 983- 996-1002
Hendrik II 1002-1014-1024
Koenraad II 1024-1027-1039
Hendrik III 1028-1046-1056
Hendrik IV 1054-1084-1106
(middelste jaren kroning tot keizer)