Ga naar: navigatie, zoeken

Rijksstad

rijksstad, stad in het Duitse rijk die direct onder de keizer (niet onder een landsheer) stond; vele daarvan hebben tot in de 19e eeuw op eigen naam gemunt. In de Noordelijke Nederlanden oneigenlijk gebruikt ter aanduiding van een zestal steden (Deventer, Kampen, Zwolle, Nijmegen, Zutphen en Groningen), die de muntslag op grond van aan het keizerlijk gezag ontleende voorrechten uitoefenden.

Keizer Frederik III heeft aan Deventer (1486), Groningen (1487) en Zwolle (1488) een privilege om goudgeld aan te munten verleend. Een keizerlijke oorkonde uit 1397, bijna een eeuw eerder, gaf Kampen het recht om zowel goud- als zilvergeld aan te munten. Van Zutphen en Nijmegen zijn geen keizerlijke privileges bekend. Het muntrecht van Nijmegen is de facto, door de rijksoverheid erkend, toen deze stad (evenals de Overijsselse rijkssteden) werd onderworpen aan het sinds 1559 in het Duitse rijk bestaande toezicht op de muntslag (Probationstag).

Door hun ligging in de Nederlanden namen de rijkssteden op monetair gebied een tweeslachtige positie in. In de Bourgondisch/Habsburgse tijd maakten de Nederlanden wel deel uit van het Duitse rijk (Roomse Rijk), maar sinds 1548 golden de rijkswetten hier niet meer (Bourgondische kreits). Vanaf 1648 was de inmiddels ontstane Republiek waartoe de rijkssteden behoorden, zelfs formeel geen deel van het Duitse rijk. De rijkssteden bleven zich echter op de keizerlijke muntprivileges beroepen. Ze sloegen dientengevolge muntsoorten op de voet van het Duitse rijk (Reichsmünzordnungen), zoals gouden dukaten (echter al spoedig met een Nederlands uiterlijk), goudguldens en zilveren rijksdaalders en onderdelen. Bovendien leidden de rijkssteden uit de keizerlijke oorsprong van hun muntrecht het recht af florijnen en schellingen op eigen voet te slaan. Op deze door de rijkssteden al dan niet terecht als rijksmunten beschouwde muntstukken plaatsten ze naar het voorschrift van de Reichsmünzordnungen de keizerstitel en de rijksadelaar en vanaf 1538 vermeldden ze de kwalificatie als rijksstad: civitas (ook wel res publica of urbs) imperialis. Naarmate de tijd vorderde sloegen de rijkssteden met uitzondering van de stad Groningen - meer en meer muntstukken op de voet van de in de Republiek geldende wetgeving, zoals leeuwendaalders, zilveren rijders (ducaton) en zilveren dukaten. Op deze stukken ontbrak de keizerstitel; ook werd de kwalificatie als rijksstad meestal vermeden.

De rijkssteden hebben van hun tweeslachtige positie op monetair gebied gebruik gemaakt. Aan de in het Duitse rijk bestaande controle, waaraan ze formeel onderworpen waren, konden ze zich dankzij hun ligging in de Nederlanden straffeloos onttrekken; de Probationstag bezochten ze na verloop van tijd niet meer. Tegenover de Staten-Generaal beriepen ze zich echter op hun onderworpenheid aan het toezicht in het Duitse rijk; ze voerden aan dientengevolge niet aan het door de Generaalmeesters uitgeoefende toezicht onderworpen te zijn.

De in 1606 door de Staten-Generaal uitgevaardigde eerste algemene muntwet van de Republiek erkende het muntrecht van de rijkssteden. Ze kregen tevens de mogelijkheid tegen een jaarlijkse vergoeding van de uitoefening van dit recht af te zien. Verschillende van de rijkssteden hebben in de 17e eeuw van die mogelijkheid gebruik gemaakt, maar ze heropenden hun munthuizen, zodra dat voordeliger leek. Pas in 1659 slaagden de Generaalmeesters erin de rijkssteden aan hun controle te onderwerpen, althans voor zover het door de rijkssteden geslagen Nederlandse muntsoorten betrof.

In 1694 vaardigden de Staten-Generaal wederom een algemene muntwet uit. Deze wet hevelde de berechting van muntmisdrijven over van de plaatselijke overheden naar de Raad van State, een generaliteitscollege. Ook in deze wet bleef het muntrecht van de rijkssteden gerespecteerd, de mogelijkheid voor een jaarlijkse afkoopsom te kiezen bleef eveneens bestaan. Het bedrag ervan werd evenwel aanzienlijk verhoogd. De genoemde overheveling en deze verhoging hebben, in combinatie met een door verschillende oorzaken verslechterde concurrentiepositie van hun munthuizen, de rijkssteden ertoe gebracht blijvend (met uitzondering van een kortstondige hervatting door Deventer en Nijmegen) voor uitbetaling van de jaarlijkse afkoopsom te kiezen. Pas Lodewijk Napoleon heeft in 1809 deze uitbetaling afgeschaft.

J.S.

Lit.:

Gelder, H.E. van, De keizersnaam op stedelijke munten, De Geuzenpenning (1973) 29-31;

idem, De muntbus, JMP (1946/47) 8-33;

idem, Klein geld grof geld, munten van de Nederlandse steden, 's-Gravenhage 1974;

Stuurman, J.G., Het twaalfde artikel van de Unie van Utrecht, een staatsrechtelijke beschouwing over het muntwezen in de Republiek der Verenigde Nederlanden, JMP (1978/79)15-38.