Ga naar: navigatie, zoeken

Rand

rand,

1. de munteenheid van de Republiek Zuid-Afrika, verdeeld in 100 cents, ingevoerd in 1961; munten van 1 rand werden tot 1977 geslagen in zilver, sindsdien in nikkel. Voorts is de rand de benaming voor een gouden handelsmunt van Zuid-Afrika, die gedurende de periode 1961-1983 is geslagen en waarvan het gewicht (3,994 g) en het gehalte (0,917) overeenkwamen met de Britse halve sovereign. Er zijn ook dubbele rands geslagen. De rand droeg op de vz een steenbok en op de kz het portret van Jan van Riebeek. Sinds 1983 zijn de Zuid-Afrikaanse goudaanmuntingen voortgezet in de vorm van krugerrands (ingevoerd in 1967) en onderdelen.

W.

2. de opstaande (zij)kant van een munt of een penning. Bij gegoten munten bevinden zich op de rand de gietnaad en gietloop (gieten). De plaats waar deze gezeten hebben is vaak nog te zien. Bij de door hameren en knippen uit tinnen vervaardigde muntplaatjes is de rand onregelmatig van vorm. Dit bood mogelijkheden tot snoeien. Om dit tegen te gaan begon men de rand te bewerken. Voor de methoden die men daarvoor koos zie randschriftmachine.

In 1686 begon men in de Spaanse Nederlanden met het aanbrengen van randschriften. Gedurende de Oostenrijkse tijd (1713-1797) werden vele soorten randversiering toegepast zoals kabel- en bladranden, randen met een enkele en een dubbele rij punten, randen met ruitvormen en dubbele rijen kleine vierkantjes.

In de Republiek der Verenigde Nederlanden begon men na enkele pogingen in en na 1672, eerst in 1739 in Utrecht met het aanbrengen van kabelranden op ducatons. De andere munthuizen volgden door ook kabelranden aan te brengen, vooral op de grote zilveren munten: Holland in 1749, Zeeland 1753, West-Friesland 1759, Gelderland 1760, Overijssel 1764. In 1749 werd door de Generaliteit voorgeschreven de enkele en dubbele dukaten van een kabel op de rand te voorzien. Dit voorschrift werd door de meeste provincies binnen enkele jaren opgevolgd.

Behalve de kabelranden kwamen er andere soorten randen. Zo begon Utrecht in 1746 bij de ducatons met een randversiering die op tulpen lijkt en daarom vaak tulpen- of bloemrand genoemd wordt. Deze versiering werd tot 1778 met onderbrekingen toegepast bij ducatons en halve ducatons. Bij Hollandse ducatons van 1756 zien we ongeveer dezelfde randversiering. Gelderland versierde in 1761 de ducatons met een iets afwijkend motief, dat meer op een blad- of loofrand leek.

In het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan tussen 1815-1830 ook België deel uitmaakte, werden de gouden tientjes en de grote zilverstukken van een inwaarts randschrift voorzien. De kleinere zilveren en de koperen munten kregen een gladde rand. Later, na de scheiding, werd voor de Nederlandse kleine zilveren (1848) en koperen (1877) munten een karteling ingevoerd. De gouden en grote zilveren stukken kregen in België na de zelfstandigheid in 1830 een opliggend randschrift. Onder koning Albert I (1909-1934) is men op een inwaarts randschrift overgegaan.

Tegenwoordig is een randbewerking niet meer nodig, immers snoeien bij munten zonder intrinsieke waarde heeft geen zin. Dat men toch met randschrift, karteling of gladde rand doorgaat, hangt samen met de traditie, maar ook met de herkenbaarheid van munten in het gebruik. Een nieuwe randvorm werd bij 's Rijks Munt ingevoerd toen een token werd geslagen voor de viering van 650 jaar stadsrechten van Rotterdam. Deze stukken hadden een geschuinde rand, ze werden daarom kantelmunt genoemd. Bij drukken op de rand wipt de andere kant van de munt omhoog.

K.

Lit.:

Hoitsema, C., en F. Feith, De Utrechtse munt, uit haar verleden en heden, Utrecht 1912;

Mey, J. de, Les monnaies Belgo-Luxembourgeoises de Charles III à Guillaume I (1706-1830), Brussel 1963;

Morin, M., Munten van België van 1832 tot 1963, Boom 1964;

Schulman, J., Nederlandse munten van 1795-1975, Amsterdam 1975.


  • Rand geschulpt swaziland 20 ct 1974.jpg
  • Rand kabel en bloem.jpg
  • Rand van munt onbew en kabel.jpg
  • Rand zuid afrika 1994 mandela.jpg
  • Rand zuid afrika 1 rand 1978.jpg