Ga naar: navigatie, zoeken

Portugees India

Portugees India, na 1910 Estado da India, waarmee de toenmalige Portugese bezittingen ten oosten van Kaap de Goede Hoop werden aangeduid, met Goa aan de westkust van India als bestuurlijk centrum en zetel van de gouverneur.

In mei 1498 bereikte Vasco da Gama de westkust van India ter hoogte van Calicut waar hij van de plaatselijke vorst toestemming kreeg om handel te drijven.

Behalve commerciële aspiraties legden de Portugezen een sterke expansiedrift aan de dag en veroverden ze verschillende welvarende kustplaatsen en eilanden. Ruim een eeuw bestuurden de Portugezen zonder noemenswaardige concurrentie vanuit Goa een uitgebreid handelsimperium van Oost-Afrika tot China en de Indonesische archipel en waren ze de alleenheersers op zee, die ze als hun exclusieve territorium beschouwden.

Met de komst van de westerse handelscompagnieën, de Nederlanders voorop, verloor Portugal in de loop van de 17e eeuw de meeste van haar bezittingen en haar invloed ten oosten van Kaap de Goede Hoop en bezat behalve Macau en Timor nog slechts drie bezittingen in India (Goa, Daman en Diu) alsmede Mozambique aan de oostkust van Afrika.

Op 18 december 1961 werden de Portugese bezittingen in India door het Indiase leger bezet en ingelijfd bij de Federale Republiek India.

In 1510 veroverde Alfonso d'Albuquerque Goa op de sultan Adil Shah van Bijapur en stichtte er vrijwel onmiddellijk een munthuis. De waarde van de munten werd uitgedrukt in real (mv. reis of reaes), de rekenmunt in de Portugees-Indiase bezittingen; reaal onder 2. Behalve door deze aanmuntingen te Goa werden de Portugese bezittingen in de 16e eeuw eveneens vanuit Portugal voorzien van aldaar gemunt geld. Verder werd gebruik gemaakt van de inlandse gouden pagode, de Spaanse acht-reaal (in het Ned. meestal "reaal van achten" genoemd), de Venetiaanse gouden dukaat of zecchino (alle gewaardeerd op 360 reis), de gouden xerafim van het Iraanse eiland Hormuz (300 reis) en de zilveren larijn (72 reis).

Na 1515 beperkte men tot 1548 de productie tot slechts kopergeld. Eerst in 1548-49 werden weer gouden munten geslagen, nu met de beeldenaar van Sint Thomas, de beschermheilige van de Portugezen in India. Dit munttype, bekend als de Sao Tomé of [pardão]] d'ouro van 360 reis, is circa 175 jaar in zwang gebleven.

Onder het bewind van de Spaanse vorsten in Portugal (1580-1640) werd te Goa de zilveren xerafim (300 reis) geslagen, alsmede de zilveren tanka (60 reis) die tot dan toe slechts een rekenmunt was. Onder de regering van Johan V (1707-1750) voerde men een belangrijke munthervorming door. De zilveren xerafim van 300 reis (10,5 g) werd in 1726 vervangen door de zilveren roepie (11,8 g) met een waarde van 600 reis.

Sinds het midden van de 16e eeuw zijn er ¼ en 1/8 koperen bazarucos vervaardigd; bazaroek . Tijdens de regering van Philips III (1621-1640) werden te Colombo bazaruco's van tutenag en zilveren tankas geslagen met het rooster van Sint Laurentius op de kz (ateliermerk S-L, C-L°).

Ook de munten geslagen ten behoeve van Malakka (dat in 1641 door de Nederlanders op de Portugezen werd veroverd) waren gangbaar op Ceylon. Van 1642-1649 werden te Goa hele en halve tankas aangemunt voor circulatie op Ceylon met de aanduiding D-S (De Seilao). De xerafim werd op Ceylon veelal aangeduid als " pardão de Ceilao". Overeenkomstig werd de, voor het eerst in 1650 aangemunte, xerafim met het Portugese kruis door de Nederlanders als "pardao cruysado" aangeduid. Van 1639-1658 veroverden de Nederlanders successievelijk alle Portugese bezittingen op Ceylon.

Na de sluiting van de Munt te Goa werd in 1871 een serie koperen munten geslagen bij de Munt te Bombay. Ingevolge een monetaire overeenkomst met de Engelsen (1880) werden alle Portugees-Indiase munten buiten omloop gesteld en werden er sinds 1881 nieuwe zilveren en koperen munten uitgegeven die overeenkwamen met het Brits- Indiase muntstelsel; ze werden geslagen bij de Munt te Calcutta en Bombay.

1 roepie = 192 reis = 16 tankas = 16 annas van Brits-India; ½ tanka = 6 reis = 2 pice of paisa van Brits-India; 1/12 tanga = 1 reis = 1 pai of pie van Brits-India. Sinds de regering van Karel I (1889-1908) werd in het benodigde muntgeld voor Portugees India voorzien door de Munt te Lissabon.

Ingevolge de Anglo-Portugese conventie van 1880 werd per 1 oktober 1883 in de Portugese bezittingen in India papiergeld in omloop gebracht. De biljetten werden te Londen vervaardigd en in 1896 ingetrokken. Onder diezelfde overeenkomst werd in 1897 een tweede emissie in omloop gebracht. Deze, slechts eenzijdig bedrukte biljetten zijn vervaardigd door de Nationale Drukkerij te Nova Goa die ook de derde emissie (1899) vervaardigde. Sinds 1901 fungeerde de Banco Nacional Ultramarino te Lissabon als uitgiftebank en sinds 1906 voorzag deze bank in de papiergeldcirculatie van Portugees India.

Bij de munthervorming van 16 juni 1958 (ingaande 1 januari 1959) werd de roepie-denominatie vervangen door de escudo (1 escudo = 100 centavos). In 1959 werd nog een papiergeldemissie in omloop gebracht, in de nieuwe munteenheid, de escudo.

L.

Lit.:

Codrington, H.W., Ceylon Coins and Currency, Chapter VIII Portuguese, Colombo 1924;

Ferraro Vaz, J., Dinheiro Luso-Indiano-lndo-Portuguese money, Braga1980;

Gomes, A., Moedas portuguesas,1128-1988, Lissabon 1987;

Peres, D., Catálogo das moedas Indo-Portuguesas do Museu Numismático Português, dl 1-4, Lissabon 1963-1975;

Schulman, J., Veilingcatalogus 23-24 febr. 1914, Collection Henry Thomas Grogan, Amsterdam 1914.

  • Portugees india 2 bazarucos 1686.jpg
  • Portugees india 2 tanga 1644.jpg
  • Portugees india 2 tanga 1653.jpg
  • Portugees india pardao 1783.jpg
  • Portugees india roepie 1935.jpg
  • Portugees india roepie van 600 reis 1841.jpg
  • Portugees india rupia 1747.jpg