Ga naar: navigatie, zoeken

Polen

Polen, republiek in Oost-Europa. Het land ontstond in de 10e eeuw als een Slavisch hertogdom, bereikte het hoogtepunt van zijn macht tussen de 14e en de 16e eeuw en kende een woelige geschiedenis met invallen, bezettingen en verdelingen door Mongolen, Turken, Hongaren, Zweden, Oostenrijkers, Pruisen en Russen.

Bij de Derde Poolse Deling (1795) werd wat na twee eerdere delingen van Polen was overgebleven, door Pruisen, Oostenrijk en Rusland verdeeld. De Napoleontische oorlogen brachten in deze situatie verandering. Bij het Congres van Wenen (1815) werd uit het in 1807 gevormde groothertogdom Warszawa minus de aan Pruisen toegewezen provincie Posen het koninkrijk Polen (Congres-Polen) gevormd, dat in een personele unie met Rusland werd verenigd. Het kreeg een eigen constitutie en een eigen leger.

In 1832 werd Congres-Polen echter tot een Russische provincie gemaakt en werd gepoogd het gebied te russificeren. Kraków, over het bezit waarvan Oostenrijk en Rusland het in 1815 niet eens konden worden, werd een "vrije stadsrepubliek" en in 1846 Oostenrijks. Oostenrijk behield Galicië.

Het monetaire systeem van Congres- Polen had een nauwe relatie met het Russische: 30 groszy = 15 Russische kopeken = 1 zloty; 10 zlotych = 1½ roebel. De circulatiereeks bestond uit koperstukken van 1 en 3 grosz(y), biljoenen stukken van 5 en 10 groszy, zilverstukken van 1, 11/3, 12/3, 2, 5 en 10 zloty(ch), goudstukken van 20, 25 en 50 zlotych en gouden handelsdukaten. In 1841 kwam aan de aparte muntslag een einde; voortaan zou in Congres-Polen het Russische geld wettig betaalmiddel zijn.

In de stad Kraków circuleerde geld uit het omliggende gebied. Alleen in 1835 heeft de stadsregering eigen munten uitgegeven van 5 groszy (biljoen), 10 groszy en 1 zloty (zilver); 1 zloty = 30 groszy. Frederik Willem III van Pruisen heeft als groothertog van Posen daar in 1816-17 koperstukken van 1 en 3 groschen uitgegeven.

Polens wedergeboorte vond plaats op 28 juni 1919, toen het bij het Verdrag van Versailles als een onafhankelijke staat werd erkend. In het tijdens de Eerste Wereldoorlog door Duits-Oostenrijkse troepen bezette deel werden ijzeren en zinken munten uitgegeven van 1, 5, 10 en 20 fenig (100 fenigow = 1 marka). Als aanvulling hierop heeft de Polska Krajowa Kasa Pozyczkowa (= Poolse Staatsleenbank) papiergeld uitgegeven in coupures van ½ tot 1000 mark.

Gedurende de inflatieperiode 1920-23 is de bank nog doorgegaan met de uitgifte van bankbiljetten tot coupures van 100 miljoen mark, zij het onder verantwoordelijkheid van de Poolse Republiek. Sinds 1923 is door de Republiek een circulatiereeks opgebouwd volgens het 1-2-5-systeem (1 zloty = 100 groszy), dat ook na de Tweede Wereldoorlog werd gehandhaafd. De Staatsleenbank werd in 1924 omgedoopt in Bank Polski, heet sinds 1944 Narodowy Bank Polski (Poolse Nationale Bank) en is verantwoordelijk voor de uitgifte van bankbiljetten.

In 1939 werd het land door de Duitsers overlopen en het bleef gedurende de Tweede Wereldoorlog door Duitsers en Russen bezet. Na de oorlog werd de Republiek hersteld, zij het met sterk gewijzigde grenzen.

In 1952 werd een volksrepubliek naar Sovjet-Russisch model gevestigd. De uitgifte van nieuwe munten volgens het vroegere stelsel en met dezelfde beeldenaars werd in 1957 hervat, zij het dat het omschrift op de vz, RZECZPOSPOLITA POLSKA, werd vervangen door POLSKA RZECZPOSPOLITA LUDOWA; de 1 grosz en 2 grosze werden niet meer geslagen. De Narodowy Bank Polski continueerde de emissie van bankbiljetten volgens het type van 1948 en voeg- de in 1962 een biljet van 1000 zlotych aan de reeks toe.

Na de val van het communistische regime werd op 29 december 1989 de Poolse Republiek uitgeroepen. Vooral na 1985 had de inflatie grote vormen aangenomen, waardoor in 1987 voor het laatst munten in groszy-waarden werden geslagen. Sinds 1987 werden zowel munten als bankbiljetten in steeds hogere waarden in omloop gebracht: verzamelaarsmunten van 1 miljoen zlotych en biljetten van 1 en 2 miljoen zlotych.

In een poging de inflatie te beteugelen en de geldcirculatie te stabiliseren werd op 1 januari 1995 een munthervorming doorgevoerd: 10.000 oude zlotych = 1 nieuwe zloty. Daarbij werd door de Nationale Bank van Polen de uitgifte aangekondigd van nieuwe munten van 1 grosz, 2 grosze, 10, 20, 50, groszy, 1 zloty, 2 zlote en 5 zlotych - nu weer met RZECZPOSPOLITA POLSKA op de vz - en nieuwe bankbiljetten van 10, 20, 50, 100 en 200 zlotych; munten en biljetten werden al voor 1995 geproduceerd.

De nieuwe munten werden echter al spoedig niet meer aangemaakt. De munten van 1 zloty en kleiner zijn na 1995 niet meer geslagen, behalve stukken van 2 grosze in 1997. De munten van 2 zlote en hoger voor de omloop zijn geslagen tot 1998. Het land geeft regelmatig herdenkingsmunten voor verzamelaars uit.

Koningen van Congres-Polen

Alexander I, tsaar van Rusland 1815-1825

Nikolaas I, tsaar van Rusland 1825-1855

Vorsten van Polen

Frederik Willem III, koning van Pruisen 1797-1840

W.

Lit.:

Gumowski, M., Hebräische Münzen im mitteralterlichen Polen, Graz1975;

Gumowski, M., Mennica Gdanska. Münzstatte Danzig von 1308-1814, Danzig 1990;

Hutten-Czapski, E., Catalogue de la collection des médailles et monnaies polonaises, Graz 1957, herdruk van de oorspronkelijke uitgave van 1871;

Kopicki, E., Katalog Podstawowych Typów Monet i Banknotów polski oraz ziem historycznie z Polska zwiazanych, 9 delen, Warschau 1978-1985;

Kowalski, M., Katalog Banknotów Polskich 1916-1972, Warschau 1973;

Mikolajczyk, A., Einführung in die neuzeitliche Münzgeschichte Polens, Lódz 1988.

  • Polen 100 zloty 2012.jpg
  • Polen 100 zlotych 1966 1000 jr polen.jpg
  • Polen 1 miljoen zlotych 1991.jpg
  • Polen 20 zloty 1836.jpg
  • Polen 20 zloty 1994.jpg
  • Polen 3 groszy 1594.jpg
  • Polen 50 groszy 1923.jpg