Ga naar: navigatie, zoeken

Pitje

pitje, benaming in Maleisië en in de Indonesische archipel voor diverse loden, tinnen of koperen munten van lage waarde. De naam is afgeleid van het Maleise pitis (verkleinwoord pitjis). De benaming in het Javaans is pises, in het Portugees caixa (kas). Door de Nederlanders werden deze munten veelal als pitje aangeduid.

De koperen Chinese ch'ien of cash was reeds enkele eeuwen ingeburgerd als het handelsmedium met de plaatsen langs de kust van Java, doch na de opheffing in 1567 door China van het verbod op overzeese handel nam de toestroom van deze munten in Zuid-Oost-Azië en in het bijzonder op Java aanmerkelijk toe.

Bij de eerste Nederlandse contacten op Java (1596) bleek de muntcirculatie inmiddels hoofdzakelijk uit loden "caisas" te bestaan die in China werden gefabriceerd uit een legering van lood en koperschuim.

Deze gegoten muntjes, die niet in China circuleerden, werden uitsluitend voor de overzeese handel gefabriceerd en werden, evenals de Chinese ch'ien, aangeduid als caixes (cassie) of pitjis. Ze circuleerden veelal in strengen van 1 atak = 200 stuks, 1 pekoe = 1.000 stuks, 1 boengkoes = 10.000 stuks of 1 keti = 100.000 stuks.

Deze muntjes waren uiterst broos en braken veelvuldig bij transacties, hetgeen de circulatieduur aanmerkelijk beperkte, zodat de VOC ze als "kwade penninkjes" bestempelde.

De koers fluctueerde sterk en omstreeks 1600 was de waarde 1 Spaanse achtreaal (of mat) = 30.000 pitjes, in 1618 was de koers gestegen tot 8.000 pitjes per achtreaal. In het begin van de jaren dertig van de 17e eeuw werden door Chinezen op Java soortgelijke pitjes gegoten uit door de VOC geleverd lood.

Sinds 1633 geschiedde deze fabricage onder contract van de VOC te Batavia. Het benodigde lood werd tegen 12 realen van 48 stuiver per picul ter beschikking gesteld. Koers 3.000-4.000 pitjes per reaal. De prijs werd regelmatig verhoogd: in 1636 bedroeg de prijs van het lood 15 realen per picul en de koers 4.200-6.000 pitjes per reaal.

Vanwege importen door Engelse en Siamese handelaren zakte de waarde tot 14.000 pitjes per reaal. In 1640 beëindigde de VOC het contract met de Chinees Conjock voor de fabricage van pitjes, waarna deze spoedig uit de circulatie in Batavia verdwenen. Elders op Java en in de archipel continueerden verschillende lokale sultanaten, waaronder Atjeh, Cheribon, Djambi en Palembang tot in de 19e eeuw de fabricage van pitjes. Deze bestaan hoofdzakelijk uit tin of een lood-tinlegering. De pitjes met centrale doorboring (gaatjesmunt) werden soms aangeduid als "pitis teboh" en die zonder deze doorboring als "pitis buntu".

De tinnen pitjes van het sultanaat Atjeh zijn bekend als kou. In de loop van de 19e eeuw werden de pitjes in de Archipel geleidelijk door koperen duiten en kepengs verdrongen. Ook op het Maleisische schiereiland en in Thailand zijn door verschillende lokale staten, waaronder Kelantan, Selangor, Trengganu, Perak en Brunei pitjes vervaardigd. Door Kelantan is deze denominatie nog tot 1904 aangemunt.

L.

Lit.:

Blussé, L. Chapter III, Trojan horse of lead: The pices in early 17th century Java, Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Dordrecht 1988;

Millies, H.C., Recherches sur les monnaies des Indigenes de l'archipel Indien en de la péninsule Malaie, Den Haag 1871;

Singh, S., The Coins of Malaysia, Singapore and Brunei, 1400-1986, Kuala Lumpur 1986.

  • Pitje gaatjesmunt palembang.jpg
  • Pitje palembang h 1193 1779 .jpg