Ga naar: navigatie, zoeken

Passeergewicht

passeergewicht, gewicht waarvoor munten van edel metaal nog voor volwaardig mochten doorgaan of passeren. Rekening houdend met enige slijtage lag het passeergewicht doorgaans 0,25 tot 0,5% beneden het wettelijke minimumgewicht. Het feitelijke gewicht van een munt kon bepaald worden met een muntgewicht, waarvan de massa overeenkwam met het theoretische passeergewicht. Men mocht munten, die door bijvoorbeeld snoeien of sterke slijtage lichter waren geworden dan het passeergewicht, weigeren of voor het gewichtsverschil bijbetaling verlangen.

In Duitsland maakte men, vooral voor bepaalde goudstukken, in de 18e en aanvang 19e eeuw wel passeerge- wichten (doorgaans van messing, soms van steen) in de vorm van een munt. Hun beeldenaars leken sterk op de munten die men ermee moest vergelijken. Aan de opschriften was te zien dat het passeergewichten waren en voor welke muntsoorten zij bedoeld waren.

Zaten zulke passeergewichten samen met muntgewichten in één muntgewichtdoos, dan waren ze meestal gemerkt met de letter P (van Passiergewicht). Zulke passeergewichten werden in Nederland niet gebruikt en komen dan ook nooit in Noord-Nederlandse dozen voor.

W.