Ga naar: navigatie, zoeken

Papier

papier, materiaal bestaande uit een dunne laag en vervaardigd uit onder druk gedroogde brei van fijngestampte lompen (linnen of katoen) of houtpulp, al dan niet gebleekt, eventueel versterkt met lijmstoffen en/of voorzien van een vulmiddel en een coating of vernislaag, wordt gebruikt om op te schrijven, te tekenen of om te bedrukken. Papier is nog steeds de belangrijkste grondstof voor biljetten, hoewel er sinds ca. 1980 langzamerhand steeds meer gebruik gemaakt wordt van plastics.

Vrijwel alle bankbiljetten zijn van papier gemaakt. De fabricage daarvan is een Chinese vinding die dankzij de Arabieren in Europa terecht kwam. Vanaf het begin van de 15e eeuw hebben in onze streken papiermolens gedraaid die in de volgende eeuwen steeds in aantal toenamen: vooral op de Veluwe waar het voor de productie onmisbare heldere water in vele beekjes voorhanden was.

De grondstof voor papier bestaat meestal uit plantaardige vezels. De meest bekende zijn lompen (linnen en katoen), houtsnippers, cellulose en stro. Het mooiste papier wordt uitsluitend van lompen vervaardigd. Met behulp van veel water worden de vezels fijngemalen tot een dikke brij. Deze pap wordt met een metalen rooster geschept - vandaar "geschept papier" - , waarbij het water door de mazen wegloopt. Vervolgens wordt het papier geperst, gedroogd en ondergaat het enige nabewerkingen om het goed glad te maken.

Aan de kwaliteit van bankbiljettenpapier zijn vanaf de eerste uitgiften speciale eisen gesteld. Een hoogwaardige papiersoort kan namelijk al enige bescherming tegen namaak bieden, zeker als er ook een watermerk in aangebracht is. Bankbiljettenpapier moet tegenwoordig aan hoge eisen voldoen.

Vooreerst moet het een constante kwaliteit hebben met een gelijkheid qua dikte en gewicht. Voorts moet het slijtvast zijn, dat wil zeggen goed bestand zijn tegen vouwen en scheuren. Bovendien moet het goed te bedrukken zijn en mag het geen fosfaten bevatten, omdat die de inkt aantasten. Al deze eisen zijn voor een deel niet met elkaar te verzoenen. Stevig, slijtvast, knisperend glad, doorschijnend papier is heel moeilijk te voorzien van verfijnd drukwerk zoals dat thans op een bankbiljet voorkomt. Daarom wordt steeds een compromis tussen de opdrachtgevende bank en de papiermaker gezocht.

Sommige banken maken hun eigen papier, zoals de centrale banken van Frankrijk, Spanje en Zweden. Maar de meeste besteden dit werk bij gespecialiseerde papierfabrieken uit.

Het bankbiljettenpapier kan kenmerkend zijn voor het land van herkomst. Amerikaans papier voelt tamelijk stevig aan, het Franse papier is dun en de biljettenuitgiften uit de jaren 1970-1980 bezitten er een textiel-achtige structuur, wat ook geldt voor biljetten die in Frankrijk voor andere landen worden vervaardigd. Een aantal Europese bankbiljetten zijn van vrij dun papier, doch zijn verstevigd met een vernislaagje dat na het drukken is aangebracht. Voorbeelden hiervan bestaan in België, Nederland en Luxemburg.

Het watermerk in het papier dat het bankbiljet beveiligt, is een variatie van de papiertransparantie die verkregen wordt door dikteverschil in het papier. Het wordt daarin aangebracht bij het scheppen. Daartoe wordt op het metalen scheprooster de afbeelding van het merk aangebracht. Bij het scheppen wordt de papiermassa op de plaats van die afbeelding iets minder dik en daardoor wat doorzichtiger. Reeds de eerste Europese bankbiljetten (Zweden, 1661 en 1666) bezaten zoals zoveel papiersoorten in die tijd zo'n watermerk. Deze eenvoudig aan te brengen beveiliging tegen namaak verwierf zich meteen een vaste plaats op zeer vele sindsdien verschenen bankbiljetten. De eerste watermerken waren letters, cijfers of andere eenvoudige afbeeldingen.

In de loop van de 19e eeuw werd het mogelijk de afbeelding in het gaas van het rooster met een reliëfstempel aan te brengen. De verdiept in het gaas aangebrachte delen gaven een donkere schaduw te zien en de iets boven het gaas uitstekende delen een lichte schaduw: het zogenaamde schaduwwatermerk. Met behulp van deze techniek konden veel verfijndere watermerken worden aangebracht die moeilijker na te maken zijn. Tegenwoordig is het portret van de persoon die ook in druk op het bankbiljet staat afgebeeld een zeer populair watermerk. De twee portretten laten zich gemakkelijk vergelijken.

Sommige bankbiljetten hebben geen watermerk. Het meest beroemde voorbeeld is wel het Amerikaanse papiergeld, dat sinds de jaren twintig van deze eeuw een ongewijzigd uiterlijk heeft. Deinde Verenigde Staten voor andere landen geproduceerde bankbiljetten hebben, voor zover valt na te gaan, evenmin een watermerk. Ook de muntbiljetten, die de Nederlandse regering gedurende de Tweede Wereldoorlog in Amerika heeft laten drukken, bezitten dit niet.

De eerste bankbiljetten van de Nederlandsche Bank hadden de naam van de Bank als watermerk in het papier verwerkt. Later werd de naam vervangen door de waardeaanduiding in letters. De eerste uitgiften van de Nationale Bank van België hadden de naam van de bank eh/of de waardeaanduiding in letters en cijfers als watermerk. Rond 1900 verschenen de eerste meer uitgewerkte watermerken op de Belgische biljetten. Nederland volgde twintig jaar later. Deze merken zitten op een plaats in het biljet die onbedrukt is gelaten, bijvoorbeeld in een blanco medaillon of op een blanco strook, het souche.

Naast het watermerk zijn er nog een aantal andere beveiligingen in het papier zélf ontwikkeld om het de namakers en vervalsers zo moeilijk mogelijk te maken. Eén van de meest bekende is een veiligheidsdraad die door het papier loopt. De eerste draden waren van zijde of bestonden uit plantaardige vezels. Later werd overgeschakeld op zilverdraad en tegenwoordig wordt vooral plastic gebruikt. Moderne bankbiljetten uit onder andere België, Luxemburg, Engeland, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Zweden, Portugal en Cyprus hebben een dergelijke draad. Een nadeel van deze draden is dat ze de drukplaten kunnen beschadigen.

Ook worden zogenaamde fluorescerende beveiligingsvezels in de papiermassa verwerkt. Deze zijn soms met het blote oog te zien, maar meestal heeft men een speciale lamp nodig om ze te ontwaren. Een andere manier om het papier te beschermen tegen namaak is het aanbrengen van gekleurde stukjes papier in de witte papierbrij, zogenaamde planchettes; planchettepapier. Dit geeft een confetti-achtig effect. De Nederlandse muntbiljetten die in 1943 in de Verenigde Staten zijn gedrukt hebben dit kenmerk, evenals de 100 frank 1934 en de bankbiljettenserie uit 1944 van Luxemburg. Het spreekt haast vanzelf dat de vervaardigers van bankbiljettenpapier weinig spraakzaam zijn over hun beroep. Ongetwijfeld bezit hun product een aantal eigenschappen, waarvan alleen enkele ingewijden op de hoogte zijn.

Zodra de vellen papier klaar zijn om bedrukt te worden, behandelt men deze alsof het echte bankbiljetten zijn. Na elke handeling worden de vellen geteld en gewogen om er zeker van te zijn dat er onderweg niet één is zoekgeraakt. Met de afgekeurde vellen wordt op dezelfde zorgvuldige manier omgegaan. Op elkaar geplakte vellen papier waren ook de grondstof voor de noodmunten van Leiden van 1573-1574.

Zie verder papierfabricage.

G.

  • Papier leiden noodmunt 091.jpg
  • Papier leiden noodmunt 1 gld 1574.jpg
  • Papier Leiden noodmunt 20 st papier.jpg
  • Papier speelkaartengeld suriname 091.jpg
  • Papier zweden 5 daler 1717 papier.jpg