Ga naar: navigatie, zoeken

Paliakate

Paliakate (huidig Pulicat), plaats aan de Oostkust van India waar de VOC in 1610 rechten verwierf voor de vestiging van een handelspost. Paliakate met fort Gelria was het hoofdkantoor en de zetel van het Gouvernement voorde VOC-bezittingen aan de Coromandelkust van India, totdat deze in 1690 naar Negapatnam werd verplaatst.

In 1646 werd Paliakate door Golconda bezet. Door tactische onderhandelingen wisten de Nederlanders gunstige condities te bedingen voor hun handelsactiviteiten en tevens verwierven zij het muntrecht voor het slaan van gouden pagoden, zilveren en gouden fanams alsmede koperen nevels en kassen. Eerder waren er door de Nederlanders reeds koperen enkele en dubbele kas-muntjes te Paliakate geslagen. Deze muntjes van geringe waarde waren uitsluitend bedoeld voor lokale circulatie en hebben op de kz een niet verklaard opschrift in Nagarischrift. De vz draagt het VOC-monogram waarboven een P (voor Paliakate).

Op deze vroegste emissie van Paliakate zijn de O en de C van het VOC-monogram veelal verwisseld. Voor het slaan van dergelijke koperen munten had men in India geen toestemming van de vorst nodig. De Heren XVII echter, ingevolge missive van 11 september 1640, wraakten het aanmaken van geld in Indië als komende slechts aan soevereinen toe. Conform het muntrecht van 1646 diende men de munten te slaan met "de stempel van de konink van Golconda", te weten Abdullah Qutab Shah (1626-1672).

Geheel overeenkomstig deze bepaling zijn er vanaf 1647 munten van 1, 2, 4, 5, 8 en 10 kas geslagen met op de vz het VOC-monogram en op de kz een Arabisch opschrift "Benam Sultan Abd-Ullah" (op naam van Sultan Abdullah). De munten van 5 en 10 kas waren bestemd voor Ceylon (huidig Sri Lanka), die daar circuleerden voor de waarde van 1 stuiver resp. halve stuiver. Ingevolge het plakkaat van 14/23 februari 1674 werden ze, tezamen met de munten van 4 en 8 kas, op Ceylon buiten omloop gesteld.

Gedurende de 18e eeuw zijn enkele en dubbele kas-muntjes geslagen met op de vz het VOC-monogram en de letter P en op de kz een prominente G (voor fort Gelria) met sterk verbasterde omschriften, die men kan lezen als Pallicat, Palicate en dergelijke plus jaartal, veelal weergegeven door de laatste cijfers. Het vroegst bekende jaartal is 1742, het laatste 1780.

Behalve kopergeld werden gouden pagoden en fanams aangemunt. Behalve deze zgn. éénbeeldige pagoden zijn ten behoeve van de handel met de Noord-Coromandelkust te Paliakate ook driebeeldige pagoden vervaardigd (Masulipatnam).

De te Paliakate geslagen gouden fanam vertoont op de vz een gestileerde Indiase godheid (Kali) en op de kz een verbasterd Arabisch opschrift. Deze fanams zijn van een laag goudgehalte en hadden een koers van 5 stuiver. 24 fanam = 1 pagode.

Van de zilveren fanams die in de overeenkomst van 1646 worden vermeld, zijn geen exemplaren gevonden die met enige zekerheid aan Paliakate kunnen worden toegeschreven.

In 1657 werd het tevens toegestaan zilveren roepies te slaan. Sinds die periode zijn te Paliakate Perzische abassis, mahmoedis en Indiase Surat roepies geklopt met het teken van de Compagnie, het VOC-monogram. De aldus gestempelde roepies werden Paliakatten genoemd. De volgens de bronnen te Paliakate "geslagen" roepies zijn waarschijnlijk identiek met de geklopte Surat roepies die door de VOC als de negotiepenning werden gehanteerd. Na ca. 1690 wordt melding gemaakt van het slaan van roepies te Negapatnam met het "nieuwen Paliacatse stempel".

In sommige bronnen wordt bij Paliakate ook gerefereerd aan zilveren larijnen. Op sommige larijnen worden instempelingen aangetroffen die daar door middel van munten, waaronder Nederlandse en VOC-munten, op zijn aangebracht. Deze activiteit moet worden toegeschreven aan particuliere op Ceylon, waar het eenieder vrij stond larijnen te vervaardigen mits deze van het juiste gehalte waren.

Na de verkrijging van het muntrecht te Negapatnam in 1662 verplaatsten de muntactiviteiten zich van lieverlee naar deze plaats. Nadat in 1690 ook het hoofdkantoor en het bestuur over de vestigingen aan de Coromandelkust naar Negapatnam werden verplaatst, zal aan de aanmunting te Paliakate, behoudens de schaarse aanmunting van koperen kassen in de 18e eeuw, een eind gekomen zijn. Formeel heeft de VOC steeds aanspraak gehouden op het muntrecht om gouden, zilveren en koperen stukken te Paliakate te laten slaan. Bij de teruggave in 1817-1818 (ingevolge het Londens tractaat van 1814) van de door de Engelsen bezette Nederlandse bezittingen in India, wordt het muntrecht te Paliakate als een van de rechten vermeld.

L.

Lit.:

Arasaratnam, S., The Monetary System, taxation and prices, in: Merchants, Companies and Commerce on the Coromandel Coast 1650-1740, New Delhi 1986;

Lingen, J., Koperen munten van Paliacate met Arabisch opschrift, De Beeldenaar (1977-7) 26-18;

Scholten, C , Munten der Vereenigde Oostindische Compagnie, JMP (1934) 53-99.

  • Paliakate kas.jpg
  • Paliakate VOC 8 kas zj.jpg
  • Paliakate voc pagode.jpg
  • Paliakate VOC surat roepie 1073 H.jpg