Ga naar: navigatie, zoeken

Munt, techniek en productie

munt, techniek en productie, munten werden vroeger met de hand geslagen met behulp van een hamer. Een metalen plaatje werd tussen twee stempels gelegd. Het onderste stempel zat vast in een aambeeld en hierop legde men het muntplaatje. Daarop werd het losse bovenstempel geplaatst en hierop werd enige malen met een zware hamer geslagen. Vanaf de zestiende eeuw is het muntbedrijf in West-Europa langzamerhand gemoderniseerd en werden steeds meer handelingen machinaal gedaan. Het slaan werd overgenomen door een muntpers, maar in vakkringen wordt dit nog steeds slaan genoemd.

In China waar de muntslag zich ongeveer gelijktijdig maar onafhankelijk van Europa ontwikkelde, sloeg men de munten niet maar goot men ze in gietvormen. Deze techniek werd onder andere overgenomen door Japan en heeft zich tot in de vorige eeuw kunnen handhaven.

Hieronder volgen een aantal technische termen en de beschrijving van het muntproces voor zover ze voor de numismatiek van belang zijn.

Stempels: inwaartse of negatieve vormen waartussen de munt geslagen wordt. Tijdens het slaan wordt het muntmetaal in het reliëf van de stempels geperst, waardoor de opwaartse of positieve afbeelding ontstaat.

De oudste muntstempels werden in koper uitgesneden. In de Romeinse tijd ging men over op ijzeren stempels die na het uitsnijden van de voorstelling gehard werden en zodoende langer meegingen. In de Middeleeuwen ging men er steeds meer toe over om de vorm van de losse letters en delen van de beeldenaar met behulp van een opwaarts gesneden ponsoen in één keer in het stempel aan te brengen. Vooral voor kleine koperen munten gebruikte men vanaf de zestiende eeuw soms cilindrische rollen waarmee men uit een reep metaal enkele tientallen munten tegelijk kon walsen, maar dit bleef een uitzondering. Tot op de dag van vandaag worden nog steeds twee losse stempels gebruikt bij het slaan van de munten.

Vanaf de negentiende eeuw worden de stempels machinaal vervaardigd met behulp van een reduceermachine. Hierbij wordt uitgegaan van een groot bronsmodel dat in de reduceermachine met een stift wordt afgetast. De bewegingen van deze stift worden verkleind overgebracht op een sneldraaiende boor die de negatieve voorstelling in het stempel uitsnijdt. Het bronsmodel kan op verschillende manieren vervaardigd worden. De meest klassieke wijze is bronsgieten op basis van een gipsmodel.

Tijdens het slaan werken er zeer grote krachten op de stempels waardoor slijtage ontstaat. Dit uit zich in haarscheurtjes, barsten en stukjes die van het stempel afspringen.

Deze beschadigingen laten een opwaartse afdruk op de munt achter. Bij met de hand geslagen munten slijt het bovenstempel sneller dan het onderstempel, omdat het bovenstempel direct de klap van de munthamer krijgt en er veel energie opgenomen wordt in het muntplaatje, waardoor het onderstempel minder te lijden heeft. Stempelbeschadigingen zijn een hulpmiddel om individuele stempels snel te herkennen en ze worden ook gebruikt om een groep munten onderling te verbinden en te dateren.

Samen met stempelkoppelingen zijn stempelbeschadigingen belangrijke hulpmiddelen bij het onderzoek van muntreeksen. Vanwege het minutieuze en tijdrovende karakter wordt dit hoofdzakelijk toegepast op munten waarvoor geen of weinig geschreven bronnen beschikbaar zijn. De meeste vroeg-Griekse munten zijn op deze wijze onderling gedateerd.

Stempelkoppeling: deze term hoort niet bij het productieproces, maar is voor numismaten ten nauwste verbonden met het begrip stempel. Het is een methode om munten in een reeks te plaatsen en mogelijk te dateren aan de hand van de verschillende onder- en bovenstempels. In een muntatelier met een regelmatige productie kan men niet alleen de slijtage van de afzonderlijke stempels volgen, maar ook hoe voorzijde- en keerzijdestempels samen gebruikt zijn. Vooral bij een grote serie munten van een munthuis is op die manier een volgorde van productie vast te stellen.

Ponsoen of poinçoen: opwaarts of positief gesneden stempeltjes waarmee delen van de inwaartse of negatieve voorstelling in het muntstempel werden geslagen. De eerste ponsoenen uit de late Middeleeuwen waren zeer klein en hiermee konden alleen delen van letters, punten, e.d. aangebracht worden. In de zeventiende eeuw werden de ponsoenen groter en kon bijvoorbeeld de kop van een portret in één klap in het stempel aangebracht worden.

Ook ponsoenen slijten door het gebruik en op deze manier is de slijtage van een ponsoen in een serie stempels te volgen. Ponsoenonderzoek is vooral goed te doen op grote homogene muntpartijen, waarin slechts een paar jaartallen vertegenwoordigd zijn (bijvoorbeeld uit scheepswrakken).

Moederstempel: een stempel van gehard staal met een opwaarts reliëf dat dient om de muntstempels mee te persen. Het moederstempel is dus op ware grootte. Het vervangt eigenlijk de losse ponsoenen waarmee vroeger een stempel opgebouwd werd. Daarom gebruikt men bij de Rijksmunt in Utrecht ook de naam ponsoen voor het moederstempel.

Elke wijze van muntproductie laat zijn sporen na. Zo is te zien of de reep metaal waaruit het muntplaatje afkomstig is, met de hamer is geplet of met een wals vlak gemaakt is, of het muntplaatje met de schaar is rondgeknipt of machinaal uitgestanst werd en of de munt met de hamer geslagen is of machinaal geperst en hoe de randversiering is aangebracht.

In de muntwet is ook het gehalte van de munt voorgeschreven, eveneens met een ruimte naar boven of beneden.

Gehalteonderzoek wordt vooral gedaan als de betreffende wetten ontbreken. Het komt echter minder voor dan gewichtsonderzoek, omdat de eenvoudigste en goedkoopste analyse geheel destructief is. Hierbij wordt de munt namelijk in een sterk zuur opgelost waarna langs chemische weg het gehalte bepaald wordt. Bij gouden munten waaraan zilver en koper in een vaste verhouding zijn toegevoegd kan de dichtheidbepaling redelijk uitsluitsel geven. Bij deze methode wordt de munt eerst in lucht en dan onder water gewogen.

Het verschil tussen beide wegingen is een maat voor het volume van de munt en hieruit is dan de dichtheid te berekenen. Dit principe is voor het eerst door Archimedes toegepast. Helaas is er weinig zekerheid dat zilver en koper inderdaad in een vaste verhouding van bijvoorbeeld 3 :1 toegevoegd zijn. Hierdoor is het resultaat meestal onzeker. Deze methode is ook bruikbaar voor zilveren munten waaraan alleen koper is toegevoegd.

Modernere methodes zijn wel minder destructief maar zeer kostbaar. Bij röntgenanalyse kan men alleen het oppervlak van een munt onderzoeken. Vooral bij zilveren munten heeft men tijdens het productieproces het oppervlak verrijkt door er koper aan te onttrekken en ook bij corrosie gaat het koper eerder in oplossing, zodat het gehalte van het oppervlak meestal hoger is dan dat van de kern.

Bij kernfysische methodes als neutronenactiveringsanalyse kan men wel in de kern doordringen, maar dit soort onderzoek wordt vanwege de benodigde apparatuur en de hoge kosten zelden toegepast.

Zie ook: metrologie en beschrijven van munten.