Ga naar: navigatie, zoeken

Larijn

Ceylon, larijn (2 stuks), z.j., zilver, gebogen draad met (quasi-) Arabische opschriften.

larijn, draadvormige, zilveren handelsmunt geslagen 16e-18e eeuw voor de overzeese handel langs de Arabische Golfen de Indische Oceaan, waarvan de naam waarschijnlijk is afgeleid van de Perzische stad Lar. De larijn werd vervaardigd door een zilveren draad deels te pletten, te stempelen en dubbel te vouwen, waarbij het resultaat varieerde van een haarspeld tot een hoefijzer of een vishaak. De stempeling geschiedde zelden met speciaal daarvoor vervaardigde stempels, meestal werden gewone muntstempels gebruikt, waardoor een gedeeltelijke afdruk ontstond.

Op Ceylon zijn zelfs koperen VOC-munten gebruikt als "stempel", waardoor een inwaartse afdruk ontstond. Naast zilveren larijnen (gewicht 4,8-5,0 g, gehalte meestal 0,9) zijn ook enkele gouden en koperen typen bekend, onder andere de koperen tang-larijnen van ca. 8 g uit Java met het wapen van Batavia. Vanwege de meestal onleesbare teksten, worden de larijnen meestal naar hun vorm gerangschikt. Lange, smalle exemplaren komen meestal uit het westen (Ottomaanse rijk), korte, dikke uit Indië en dubbel gevouwen exemplaren uit Ceylon.

In Perzië (Iran) begon de productie van larijnen onder de regering van sjah Ismail I (1502-1524) en duurde bijna onafgebroken tot de regering van Nadir Sjah (1736-1747). De productie vond plaats in muntplaatsen gelegen langs de karavaanweg tussen de Kaukasus en de Arabische Golf. De Ottomaanse larijnen werden vervaardigd te Bagdad en Basra tussen 1574 en 1730.

De meeste Indische larijnen komen uit het vorstendom Bijapur en zijn daar geslagen tussen 1510 en 1672.

Op de Maldiven begon de productie rond 1620 en duurde tot in het derde kwart van die eeuw. Op Ceylon kwamen veel larijnen met onleesbare pseudo-opschriften voor, waarschijnlijk veroorzaakt door het gewoonterecht dat iedereen larijnen mocht vervaardigen, mits men zich hield aan het juiste gewicht en gehalte. Ook de zeldzame larijnen met Chinese opschriften stammen waarschijnlijk uit Ceylon.

De koperen tang-larijnen uit Java met het wapen van Batavia werden vervaardigd volgens een resolutie van 9 november 1658. Ze waren gangbaar voor een kwart stuiver.

Bij resolutie van 28 mei 1660 werd besloten deze tang-larijnen van tin te maken omdat het te Batavia aanwezige koper ongeschikt was om het tot larijnen te verwerken. Op de Maldiven werden vanaf ca. 1650 ronde zilveren munten geslagen met dezelfde waarde als de larijn.

De naam larijn ging daar later over op een koperen munt. Thans is de Maldiven-roepie onderverdeeld in 100 laari.

v.L.

Lit.: Laere, R. van, The larin: trade money of the Arabian Gulf, Oriental Numismatic Society, Occasional paper 15, Londen 1980; Scholten, C, De munten van de Nederlandsche gebiedsdeelen overzee 1601-1948, Amsterdam 1951, biz. 37; Wood, H., The Gampola larin hoard, American Numismatic Society, Numismatic notes and monographs 61, New York 1934.