Ga naar: navigatie, zoeken

Kroon

kroon, hoofdbedekking als teken van bijzondere (vaak koninklijke) waardigheid, voorkomend in uiteenlopende vormen en als onderdeel van het (vorsten)portret vanouds op munten afgebeeld. De Perzische vorm, een haarband opgebouwd met punten, vindt met reeds op de dareik. In de Hellenistische tijd werd een haarband gebruikt (Gr. diadèma), in de Romeinse tijd een lauwerkrans (Lat. corona laureata) die navolging vond bij de Merovingers en de Karolingers (Karel de Grote, Lodewijk de Vrome) en vanaf de Renaissance tot in de 19e eeuw (Leicesteren andere Nederlandse rijksdaalders, munten van Duitse keizers en van Napoleon).

Sinds keizer Nero (54-68 n.Chr.) kwam de stralenkrans in gebruik, ontleend aan de kroon van zonnegod Phoebus Apollo en bestaande uit een haarband opgebouwd met stralen (scherpe punten). Een navolging hiervan treft men aan bij de Duitse koningen (10e en 11e eeuw) en in de Renaissance (Karel V).

Sinds Constantijn de Grote bestond de keizerlijke kroon uit een gouden of zilveren haarband of diadeem, voorzien van edelstenen en aanhangsels en weldra ook opgebouwd met versiersels. Hieruit ontwikkelde zich in de 13e en 14e eeuw de koningskroon met drie zichtbare fleurons (oorspronkelijk moerbeibladeren; zgn. fleuronkroon, bv op de latere dukaten met de twee hoofden), cq lelies (zgn. leliekroon van de Franse koningen).

In de late Middeleeuwen ontstonden onder invloed van de heraldiek zgn. rangkronen als symbolen van de soevereine macht. Deze waren gedifferentieerd naar de rang van de dragers met drie of vijf fleurons in combinatie met parels, al dan niet opgebouwd met beugels en soms gevoerd met een duidelijk zichtbare muts.

Deze heraldische rangkronen werden boven het wapenschild geplaatst en verschilden afhankelijk van plaats en tijd, totdat in de 17e eeuw een zekere standaardisering in hun uiterlijk optrad.

Op Nederlandse munten komen o.a. voor: a. keizerskroon: meestal een vijfbladige fleuronkroon opgebouwd met een bolvormige kap, bestaande uit twee helften (schelpen of mijters), waartussen een beugel die een kruis met juweel draagt.

Deze kroon treft men o.a. aan op munten van Karel V, op die van de Rijkssteden en op munten uit de Oostenrijkse Nederlanden.

b. koningskroon: een vijf-bladige fleuronkroon met twee elkaar kruisende beugels waarop wereldbol en kruis. Deze treft men o.a. aan op munten van Philips de Schone tijdens de voogdij van zijn vader, Rooms-koning Maximiliaan I, alsmede op munten van Philips II, zowel als hoofddekking in diens portret, als ook als heraldische kroon boven diens wapen met de Spaanse kwartieren. Voorts op munten van Philips IV en Karel II.

c. keurvorstenkroon of -hoed: een hermelijnen band met vijf punten, opgebouwd met twee gekruiste beugels met parels en wereldbol en gevoerd met een muts. Deze keurvorstenhoed komt voor op munten van de prins-bisschoppen van Luik die tevens de Keulse aartsbisschoppelijke waardigheid bezaten en dus keurvorst van het Roomse rijk waren.

Onder hen o.a. Maximiliaan Hendrik van Beieren.

d. aartshertogenkroon of -hoed: een hermelijnen band met zeven of vijf punten, opgebouwd met een beugel met parels. Deze komt voor op munten van o.a. Philips de Schone, Karel V en Philips II boven hun Habsburgs-Bourgondische wapen zonder de Spaanse kwartieren.

e. hertogskroon of -hoed: een vijfbladige fleuronkroon, eventueel gevoerd met een muts, voorkomend boven het Gelderse wapen op munten van het gewest Gelderland.

f. oude gravenkroon of parelkroon: een versierde band, opgebouwd met negen parels, o.a. op de dukaat Holland 1583, op munten van graaf Herman Diederik van Bronkhorst-Batenburg (1573-1602) en op de oude Friese florijnen.

Ten tijde van de Republiek (1588-1795) werden vele stedelijke en gewestelijke wapens op de munten voorzien van een nieuwe gravenkroon (een driebladige fleuronkroon) of van een vijfbladige fleuronkroon.

Deze laatste was van oorsprong de Franse hertogskroon en gold derhalve als hoogste niet-koninklijke kroon. Hij werd aanvankelijk ook gevoerd boven het wapen van de Staten-Generaal. Nadat de Staten ca 1640 in het diplomatieke verkeer de rang opeisten die onmiddellijk volgde op de koningen en de "koninklijke" republiek Venetië, werd de vijfbladige fleuronkroon opgebouwd met twee beugels bezet met parels. Deze zgn. vorstenhoed symboliseert de van oorsprong vorstelijke soevereiniteit van de Staten en komt sinds 1659 voor boven hun wapen op de generaliteitsmunten.

Deze vorstenhoed stond model voor de koningskroon van Lodewijk (1806-1810) en van Willem I (ingevoerd volgens de muntwet van 1816, nl. de Nederlandse en Belgische koningskroon): een vijfbladige fleuronkroon met vier stervormig geplaatste beugels die een wereldbol dragen, al dan niet voorzien van een kruis.

De koningskronen van Hongarije en Bohemen, alsmede de hertogshoed van Brabant komen voor op de kronendaalder van de Oostenrijkse Nederlanden.


G.



  • Bourgondische Nederlanden, Holland, Philips de Schone (1482-1506), dubbele stuiver, z.j., zilver, aartshertogenkroon.
  • Gelderland, daalder van 30 stuivers, 1693, zilver, hertogshoed.
  • Nijmegen, daalder van 30 stuivers, 1688, zilver, boven het wapen op de kz de zogenaamde Rudolfinische keizerskroon.
  • Duitse rijk, Deventer, Koenraad II als keizer (1027-1039), penning, zilver, Duitse koningskroon.
  • West-Friesland, dukaat, 1588, goud, oude gravenkroon.
  • West-Friesland, zilveren dukaat, 1763, zilver, koninklijke vorstenkroon van de Republiek boven het wapen.
  • Romeinse rijk, Vespasianus (69-79), dupondius, 73, koper, vz: kop met stralenkroon.
  • Frankrijk, Karel VI (1380-1422), kroon, emissie: 1389-1394, goud, geslagen te Doornik, leliekroon boven het wapen.
  • Gelderland, driegulden, 1694, zilver, hertogenkroon.
  • Bourgondische Nederlanden, Vlaanderen, Philips de Schone (1482-1506), groot, z.j., zilver, koningskroon boven het initiaal van Maximiliaan van Oostenrijk, die in 1486 tot Rooms-koning werd gekroond.
  • Luik, Maximiliaan Hendrik van Beieren (1650-1688), ducaton, 1666, zilver, keurvorstenkroon.
  • Franse keizerrijk, Napoleon I (1804-1814), 5 frank, 1813, zilver, vz kop met lauwerkrans.
  • Kroon oijen maria van Brabant kroon.jpg
  • West-Friesland, roosschelling, 1601, nieuwe gravenkroon.
  • Syrië, Antiochos Hierax (241-228), tetradrachme, zilver, vz kop met diadeem.
  • West-Friesland, Nederlandse rijksdaalder, 1619, zilver, kz: vijjbladige fleuronkroon (de ridder op de vz draagt een lauwerkrans).
  • Nederland, Willem I, driegulden, 1821, zilver, Nederlandse koningskroon.
  • Zeeland, Philips II (1556-1598), dubbele dukaat, goud, koninklijke fleuronkroon boven het wapen.