Ga naar: navigatie, zoeken

Keizer

Keizer.jpg

keizer (van Lat. caesar), in de Germaanse en Slavische talen de titel van de hoogste wereldlijke gezagsdrager.

In de Romeinse tijd werden de monarchen aangeduid als imperator (waarvan Fra. empereur enz.) en minder vaak als caesar (de eigennaam van C. Julius Caesar en zijn eerste opvolgers).

Na de stichting van Constantinopel (Byzantijnse rijk) in de vierde eeuw na Chr. splitste het Romeinse Rijk zich in een Oostelijk en een Westelijk deel, elk met zijn eigen keizer en keizerlijke muntslag. Deze tweedeling voltrok zich echter geleidelijk.

Ook de muntslag in Oost en West vertoonde tot ver in de vijfde eeuw een nauwe samenhang.

Het Westromeinse Rijk viel aan het eind van de vijfde eeuw uiteen.

Enige tijd was er maar één (Oostromeinse) keizer, totdat Karel de Grote in 800 door de paus tot keizer werd gekroond. Voortaan voerde hij op zijn munten de titel imperator augustus, enkele van zijn opvolgers eveneens. Aldus waren er, althans tot 1453, weer twee (Romeinse) keizers.

De opvolgers van Karel de Grote hebben wel de aspiratie gehad een even omvangrijk keizerrijk in stand te houden (Karolingische muntslag). Vanaf de tiende eeuw was de macht van de keizer in het Westen echter beperkt tot het Duitse Rijk en Noord-Italië (heilige Roomse Rijk). De titel op de munten van deze keizers (dus ook op die van een rijksstad) luidde: imperator, later vaak met de toevoeging electus, dat wil zeggen niet alleen als koning, maar ook als keizer rechtstreeks door de keurvorsten gekozen.

Ook in het Oostromeinse rijk en later in het Byzantijnse rijk, is in opdracht en op naam van de keizer aldaar gemunt. Na de verovering van dit rijk in 1453 door de Turken beschouwden de Turkse sultans zich als opvolger van de keizer. De Russische vorsten hebben zich vanaf Peter de Grote, van 1721 tot 1917 eveneens opgeworpen als (opvolger van de) keizer (Russisch: tsaar).

Ze duidden zich op hun munten veelal met de titel imperator aan.

In de negentiende eeuw voerden vele vorsten (ook op hun munten) de keizerstitel, dikwijls om politieke aspiraties tot uitdrukking te brengen.

Voorbeelden binnen Europa hiervan zijn Napoleon I en III' 'van Frankrijk, de koningen van Pruisen als Duitse keizer (tot 1918) en de keizers van Oostenrijk (eveneens tot 1918), buiten Europa de keizers van Brazilië, Mexico en Haïti. Ook de inheemse titels van de machtige vorsten van China, Japan, India, Perzië (Iran) en Ethiopië plegen als keizer te worden weergegeven.

J.S.