Ga naar: navigatie, zoeken

Italië

Italië, republiek in Zuid-Europa.

De gecompliceerde geschiedenis van Italië vindt een getrouwe weerslag in de munten, die geslagen werden door opeenvolgende veroveraars, pauselijke autoriteiten, onafhankelijke stadsrepublieken en grote vorstenhuizen.

Zie voor de vroege Middeleeuwen: Italië, Oostgothen, Italië, Karolingische periode en Italië, Duitse keizers.

Na het wegvallen van het gezag van de Duitse keizer in 1183 introduceerden sommige stadstaten volledig nieuwe typen, zoals Florence, dat laat in de 12e eeuw met de muntslag begon.

Op haar munten stond op de vz de stadspatroon Johannes de Doper en op de kz een lelie met de tekst FLORENTIA. Florence was één van de eerste steden, die in 1252 aan de reeks zilveren munten een gouden gulden toevoegde met dezelfde beeldenaars als de zilveren munten. Aan dit type, dat tot 1530 werd gehandhaafd, is het woord florenus of gulden ontleend. Opmerkelijk is, dat een aantal steden eeuwenlang aan hetzelfde muntbeeld bleef vasthouden.

Genua kreeg in 1139 van Koenraad III het muntrecht en plaatste diens naam CVNRADI REX (= koning Koenraad) de gehele Middeleeuwen door op haar munten. De stad reageerde op de goudaanmuntingen van Florence door eveneens guldens volgens het type van de zilveren munten te slaan, waartoe zij in 1149 het recht had verkregen.

In 1192 voegde Venetië aan haar zilveren penning de eerste grote munt van Italië toe, de grosso (matapan) met op de vz de Heilige Marcus, de stadspatroon, die een banier aan de doge of hertog overhandigt en op de kz de zittende Christus (zie de afbeeldingen op blz. 44 van de Inleiding).

In 1284 sloeg Giovanni Dandolo de eerste Venetiaanse guldens. In tegenstelling tot de matapan stond op de vz de voor de Heilige Markus knielende doge, terwijl op de kz de staande Christus in een ovaal was geplaatst. Het omschrift luidde SIT TIBI CHRISTE DATVS QVEM TV REGIS ISTE DUCATVS (= aan U, o Christus, zij dit hertogdom gegeven dat U regeert). Aan het laatste woord is mogelijk de naam dukaat ontleend die voor gelijksoortige guldens in talrijke andere landen werd en nog wordt gebruikt. In Italië werd ook wel de naam zecchino gebruikt, afgeleid van het woord zecca = munthuis.

Tot laat 12e eeuw bleef de pauselijke muntslag beperkt tot enkele schaarse aanmuntingen van Leo IX (1049-1054) en Paschalis II (1099-1118). Laat 12e eeuw werd de muntslag te Rome weer hervat, nu niet meer op naam van de paus, maar op die van de senaat. Op grossi, geslagen in 1252, stond op de vz een naar rechts lopende leeuw met de tekst SENATVS PQR ( = senaat en volk van Rome) en op de kz ROMA CAPVT MVNDI ( = Rome hoofdstad van de wereld) rond een zittende Roma, waarmee de plaats van Rome als centrum van de christelijke wereld nog eens duidelijk werd geaccentueerd (Kerkelijke Staat).

In Zuid-Italië liepen de staatkundige en daarmee monetaire ontwikkelingen anders dan elders. Op Sicilië dat door de Arabieren was veroverd, sloeg de dynastie der Aghlabieten vanaf 827 te Palermo Islamitische dirhems. In de loop van de 10e en 11e eeuw bezetten de Noormannen eerst het eiland, vervolgens het vasteland. In 1130 werd Roger II koning van Napels en Sicilië. In beide landsdelen werden gouden munten naar Arabische en koperen naar Byzantijnse voorbeelden geslagen, vaak met teksten in het Arabisch, resp. Grieks.

Na 1194 kwam het gehele Normandische koninkrijk aan de Rooms keizer Hendrik VI. Beroemd is de gouden augustalis van zijn zoon en opvolger Frederik II (1198-1250), met een portret naar Romeins voorbeeld.

2. De late Middeleeuwen

Hoewel Italië formeel een aan de Keizer onderhorig koninkrijk was, bestond het feitelijk uit een groot aantal onafhankelijke gebieden: in het Noorden stadstaten, waarvan sommige geregeerd door machtige families als de Visconti, en vorstendommen, in het midden de pauselijke bezittingen, in het Zuiden de, soms verbonden, koninkrijken Napels en Sicilië.

Genua handhaafde aanvankelijk de munttypen uit de vorige periode, maar onder Simon Boccanegra (1339-'44), de eerste doge of hertog, werden de omschriften veranderd in DVX IANVENSIS PRIMVS ( = de eerste hertog van Genua). Het gebruik van een nummer in plaats van de naam van de hertog was een novum en werd jarenlang gehandhaafd.

Gedurende het grootste deel van de 15e eeuw was Genua soms onafhankelijk, soms onderworpen aan Frankrijk of aan de hertogen van Milaan.

Een andere belangrijke muntreeks in Noord-Italië was die van Milaan.

De aanmaak van gouden guldens was daar al begonnen in de 2e helft van de 13e eeuw met daarop de staande figuren van de heiligen Protasius en Gervasius, gescheiden door de vertikaal geschreven plaatsnaam MEDIOLANVM. Op de kz stond de Heilige Ambrosius.

Zilveren munten met een kruis op de vz ontleenden hun naam ambrosini aan de zittende Ambrosius op de kz.

Onder Giovanni Maria Visconti (1402-1412) stond op de grossi de gevleugelde draak uit het wapen der Visconti's tussen de letters I-M.

Deze beeldenaar werd ook gebruikt voor de kleinere soldi.

Venetië handhaafde in deze periode de beeldenaars van de gouden dukaat, maar onder de doge Andreas Contarini (1368-1382) kreeg de zilveren matapan een nieuwe voorzijdebeeldenaar: een ster en een muntmeesterteken.

Ook de muntslag van de senaat van Rome werd voortgezet. In 1350 werd aan de bestaande reeks zilveren munten een goudgulden naar het voorbeeld van de Venetiaanse dukaat toegevoegd. Eind 14e eeuw werd niet meer op naam van de senaat, maar op die van de paus gemunt, zoals o.a. te zien is aan de zilveren bolognino van Urbanus V (1362-1370).

In Florence werd de aanmaak van de fiorini d'oro of goudguldens met Johannes de Doper en de lelie voortgezet. Op de zilveren grosso, de kwart grosso en de popolino stond echter St. Pieter. Hoewel de Medici de feitelijke macht over Florence uitoefenden, verscheen pas na 1532 hun naam als hertog op de Florentijnse munten.

Het koninkrijk Napels kwam in bezit van Karel van Anjou (1266-1285) die vanaf 1277 een gouden carlino of saluut liet slaan met op de vz het samengestelde wapen van Anjou en Jeruzalem. Onder Karel II volgde in 1304 de zilveren gigliato met de vorst op een leeuwentroon.

Alfonso I (1435-1438), de eerste Aragonese koning van Napels introduceerde de gouden ducaton met een ruiter op de kz.

3. Van Renaissance tot Revolutie (midden 15e eeuw-eind 18e eeuw)

Gedurende deze periode, waarin het aantal muntautoriteiten en muntsoorten groot bleef, is een gestadige groei naar grotere denominaties waar te nemen. Het hertogdom Savoye, onder wiens dynastie de eenwording van Italië in de 19e eeuw een feit werd, won in deze periode aan belangrijkheid. De testone, een zware zilveren munt van 8 grossi, werd in Savoye door Karel I (1482-1490) ingevoerd. Onder Karel II (1504-1553) werd de zilveren tallero van 42 grossi uitgegeven.

Emanuel Philibert (1553-1580) voerde een nieuw muntsysteem in, dat gebaseerd was op de soldo. Er waren onderdelen en veelvouden tot aan de lira van 20 soldi. De muntslag in goud bestond uit een scudo en een filiberto, de laatste met een ongebruikelijke kz met een olifant temidden van een schaapskudde.

In 1720 verwierf Victor Amadeus II het eiland Sardinië en gingen de hertogen zich voortaan koningen van Sardinië noemen. Onder Karel Emanuel III (1730-1773) was het basisgoudstuk de doppia met veelvouden tot 5 en onderdelen tot ¼ doppia. Het belangrijkste zilverstuk was de scudo van 6 lire met onderverdelingen tot 1/8. Op alle muntsoorten waren de beeldenaars gelijk: borstbeeld/wapen en waarde.

Milaan onder de hertogen Sforza, die in 1450 de Visconti opvolgden, speelde in cultureel opzicht in deze periode een belangrijke rol. Daar werd het eerst de realistische portretkunst van de Renaissance op munten toegepast. De vroegste voorbeelden zijn de portretten van Francesco Sforza (1450-1466), maar de meest invloedrijke vernieuwing van het Milanese muntwezen was wel de zware zilveren testone van Galeazzo Maria Sforza (1468-'76) met op de vz diens prachtige Renaissanceportret en op de kz een helmteken boven een wapen met het gevleugelde drakensymbool van de Sforza's.

Gelijksoortige beeldenaars verschenen op de gouden dukaat en de grosso van 8 soldi, alhoewel onderdelen van de grosso op beide zijden heraldische symbolen behielden.

Milaan kwam in 1535, na het uitsterven van de Sforza's aan keizer Karel V die het aan zijn zoon Philips II overdroeg. Het bleef een Spaanse bezitting tot het in 1714, na de Spaanse Successieoorlog, aan de Oostenrijkse keizer kwam.

Muntslag te Milaan voor de Spaanse koningen en Oostenrijkse keizers was van het borstbeeld/wapentype.

Venetië handhaafde de aanmuntingen van de gouden zecchino of dukaat en de zilveren grosso, maar in 1471 voerde Nicoló Tron een nieuwe zware standaardmunt in, gelijk aan de rekeneenheid: de lira van 20 soldi. Zeer ongebruikelijk voor Venetië was het portret van de doge op de lira. Het bleef dan ook een eenmalig verschijnsel.

Ook ging Venetië in 1472, als een der eerste in Europa, er toe over de kleinste muntsoort, de bagattino, in koper uit te voeren. Een andere vernieuwing was de invoering van de gouden scudo door Andreas Gritti in 1535 en de zilveren giustina van 8 lire. Opvallende vertegenwoordigers van de laat 18e-eeuwse Venetiaanse muntslag waren de veelvouden van zecchini tot aan 100 zecchini toe, geslagen onder Aloysio Mocenigo (1763-1778) en Ludovico Manin (1789-1797), de laatste doge van Venetië.

Florence behield aanvankelijk haar onafhankelijkheid en traditionele muntslag totdat, na het beleg en de verovering door Karel V, Alexander de Medici in 1532 de titel van hertog kreeg. Deze beschikte over de beroemde kunstenaar Benvenuto Cellini, die de beeldenaars voor de testone en andere denominaties ontwierp met op de vz Alexanders portret en op de kz de heiligen Cosmas en Damianus. Paus Pius V verhief in 1569 Cosimo de Medici tot groothertog van Toscane.

De schitterend verzorgde muntslag bleef onder Cosimo gehandhaafd met als voorbeeld de zilveren piastra (piaster) met zijn borstbeeld op de vz en Johannes de Doper op de kz. Het muntbeeld van Florence bleef ook in Toscane bestaan: de Heilige Johannes op de vz en het wapen van de Medici op de kz. Na het uitsterven van de Medici's in 1737 en de overgang van Toscane naar Frans van Lotharingen (sinds 1745 keizer Frans I van Oostenrijk) komen er ook veel munten van het borstbeeld/ wapentype in omloop.

Pauselijke muntslag vond in verschillende perioden in meerdere steden plaats, zoals in Bologna, Ferrara, Modena, Parma, Perugia en Rome. Tot midden 16e eeuw waren het vooral de zecchino, de zilveren grosso en de zilveren giulio, welke laatste zijn naam ontleende aan Julius 11 (1503-1513). Julius II introduceerde de testone in de pauselijke bezittingen met op de vz een tekst en op de kz de heiligen Petrus en Paulus. De piastra werd voor het eerst geslagen onder Sixtus V (1585-1590) met op de vz zijn portret en op de kz de Heilige Franciscus die de stigmata of wondtekenen ontvangt. De piastra werd eind 16e eeuw als grootste zilverstuk opgevolgd door de scudo die tot eind 18e eeuw in omloop bleef. Voor de gouden zecchino bleef het St. Petrus/wapentype gedurende de 15e en 16e eeuw het meest in trek, maar ook de dubbele zecchino werd veelvuldig geslagen.

De muntslag van Ferdinand I (1458-1494) van Napels valt op door zijn realistisch portret op de gouden dukaten en op een nieuwe zware zilveren munt, de tari of dubbele carlino. Op de keerzijde van de carlino kwam een nieuwe beeldenaar te staan, de Heilige Michael een draak dodende, als een zinspeling op de recente overwinning op de Turken. Kleine koperen muntjes van Ferdinand I stonden bekend als cavalli, genoemd naar een loslopend paard op de kz.

Napels was van 1503-1700 Spaans.

In het oog springend zijn de gouden dukaten en veelvouden van Karel V waarop hij zijn borstbeeld naar Romeins voorbeeld liet plaatsen: de dukaat met gelauwerde kop en baard (as, denarius) en de veelvouden met geharnast borstbeeld met stralenkroon (dupondius, antoninianus); (Romeinse muntwezen). Karel V liet ook een zilveren scudo en onderdelen slaan.

Bij de Vrede van Utrecht (1713) werd Napels afgestaan aan Karel van Oostenrijk en Sicilië werd toegewezen aan Victor Amadeus van Savoye die het tot 1720 in bezit hield waarna hij het ruilde voor Sardinië. In 1734 kwamen Napels en Sicilië samen weer aan een zijlinie van de in Spanje regerende Bourbons.

4. Van de Franse Revolutie tot de Italiaanse eenheid (midden 19e eeuw)

De in 1796 binnenvallende Franse legers stichtten een aantal republieken, waarbij een herschikking van de bestaande territoriale grenzen plaatsvond.

Al deze republieken sloegen zilveren scudi en lires en koperen soldi met verschillende interpretaties van de Vrijheid en lokale personificaties.

In 1805 schiep Napoleon het Koninkrijk Italië, waarvoor zilveren lires en koperen soldi met zijn portret werden geslagen. Op de kz stonden resp. een gekroond wapen en de ijzeren kroon van Lombardije.

Andere delen van Italië werden bij Frankrijk ingelijfd of er werden familieleden van Napoleon op de troon gezet, zoals in Napels.

Na de val van Napoleon werd de politieke toestand van voor de Revolutie grotendeels hersteld; de oude stadsrepublieken Venetië en Genua kwamen echter resp. aan Oostenrijk en aan Sardinië.

In het Lombardisch-Venetiaanse koninkrijk werd het muntsstelsel min of meer aan dat van de Oostenrijkse eenheidsstaat aangepast. Het herstelde koninkrijk Sardinië handhaafde meer in de revolutieperiode binnengedrongen Franse elementen.

In het groothertogdom Toscane en in de Kerkelijke Staat werd de muntslag volgens lokale tradities hervat.

In de Twee Siciliën keerde Ferdinand als Ferdinand I op de troon terug en onder hem werd de aanmaak van piastres en carlini in zilver en tornesi in koper hervat en door zijn opvolgers voortgezet.

5. Italië als eenheidstaat (1860-heden)

Na een oorlog van Sardinië tegen Oostenrijk (1859-1860) sloten bijna alle Italiaanse staten (het Zuiden door toedoen van Garibaldi) zich bij Sardinië aan. In 1861 werd Victor Emanuel II uitgeroepen tot koning van Italië. Het nieuwe koninkrijk nam in hoofdzaak het Sardinische muntstelsel over; in de beeldenaars bleef het kruis van Savoye gehandhaafd, onder toevoeging van de tekst REGNO D‚‘ITALIA.

In 1865 behoorde Italië tot de oprichters van de Latijnse Muntunie. In 1866 werd Venetië en in 1870 Rome aan de nieuwe staat toegevoegd.

Na de Eerste Wereldoorlog kwamen nog enkele Oostenrijks gebleven gebieden in het Noorden erbij.

Onder de regering van Victor Emanuel III' '(1900-1946) begon na deze Oorlog een geleidelijke waardevermindering van de lire en werd de gouden standaard opgegeven.

De kz-beeldenaars van zijn munttypen waren vaak geïnspireerd op antieke Italische munten, zoals bijv.

de korenaar op de 5-centesimi naar het voorbeeld van de Griekse kolonie Metapontum.

De fascisten waren meer geporteerd voor de Romeinse adelaar of de fasces. Na de verovering van Abessinië in 1936 voerde Victor Emanuel III de titel van RE E IMPERATORE (= koning en keizer).

De in 1946 uitgeroepen Republiek Italië sloeg een reeks liremunten volgens het 1-2-5-systeem met allegorische voorstellingen. De sterke inflatie maakte echter weldra de lagere denominaties overbodig.

Een opmerkelijke uitgifte is de sinds 1982 uitgegeven circulatiemunt van 500 lire van bimetaal met een ring van acmonital en een kern van bronzital. Vanaf 1961 zijn speciaal voor verzamelaars zilveren herdenkingsmunten van 500 en 1000 lire geslagen, vanaf 1974 ook herdenkingsmunten van 100 lire en ook 200 lire in de voor de circulatiemunten gebruikelijke metaalsoorten. In 2002 ging Italië over op de euro.

De pauselijke muntslag, die in 1870 was stilgelegd, kwam in 1929 na de erkenning door Italië van Vaticaanstad als een onafhankelijke staat weer op gang. Geslagen werden dezelfde denominaties als van Italië.

Deze muntslag heeft een symbolisch karakter, evenals die van San Marino.

6. Papiergeld

Voor wat betreft het papiergeld maakte men al vroeg in 17e eeuw gebruik van schuldbekentenissen en depotbewijzen, die door endossement overdraagbaar werden gemaakt.

In 1764 werd voor het eerst in het koninkrijk Sardinië papiergeld uitgegeven, de Biglietti delle Regie Finanze of de Biglietti delle Regia Cassa.

Onder Pius VI werd in 1785 door de Monte di Piëta onder de naam Sacro Monte della Piëta di Roma papiergeld uitgegeven in de waarden 3-1500 scudi, evenals in 1786 door de Banco di Santo Spirito di Roma. Ten tijde van de Franse overheersing verschenen ook in Italië assignaten (assignaat). In de 19e eeuw werden in Sardinië emissiebanken opgericht: Banca di Genova (1844) en Banca di Torino (1847), die in 1849 fuseerden in de Banca Nazionale negli Stati Sardi, die zich na de unificatie van Italië Banca Nazionale nel Regno liet noemen.

Nadat in 1866 Venetië was ingelijfd, nam de Banca Nazionale nel Regno ook de werkzaamheden van de Stabilimento Mercantile Veneto, die al kasbiljetten had uitgegeven, over.

In Toscane was in 1816 al de Casa di Sconti opgericht, die in 1826 door de Banca di Sconti di Firenze werd vervangen. In 1857 werden de Toscaanse banken samengebracht in de Banca Nazionale Toscana, waarna in 1860 nog een kleine emissiebank werd opgericht, de Banca Toscana di Credito per industria e commercio in Italia.

In het Koninkrijk der Twee Siciliën bestonden twee emissiebanken, de Banca di Napoli en de Banca di Sicilia, die beide uit meerdere fusies waren ontstaan.

In Rome bestond sinds 1825 de Cassa di Santo Spirito di Roma, die na een reorganisatie onder paus Pius IX tot de Banca dello Stato Pontificio werd omgedoopt en sinds 1870 Banca Romana heette.

Na de eenwording van Italië in de jaren 1860-1870 bestonden er dus zes emissiebanken.

Na 1866 mochten de biljetten van de Banca Nazionale nel Regno tegen een gedwongen koers in geheel Italië blijven circuleren, de biljetten van de andere banken mochten dat in hun lokale werkgebieden.

In de jaren zeventig van de 19e eeuw ontstond een tekort aan muntgeld, waardoor banken, steden, firma's, particuliere fabrikanten en kooplieden op zo'n grote schaal noodgeld uitgaven, dat in 1873 ca. 33 miljoen lire aan noodgeld in omloop was. Er was een geldhervorming noodzakelijk en bij wet van 30 april 1874 kregen de emissiebanken toestemming zgn. consortiumbiljetten uit te geven, waarvoor zij de Staat tegen overnemingskoers een lening moesten verstrekken.

Bovendien mochten zij onder strenge dekkingsvoorschriften eigen biljetten uitgeven. Toen de Staat in het buitenland een goudlening kon afsluiten, kon bij wet van 7 april 1881 de consortiumlening worden afgelost en konden onder protest van de banken staatsbiljetten in omloop worden gebracht.

In 1883 werd de dwangkoers van bankbiljetten opgeheven.

In de periode tot 1926 werden de afzonderlijke emissiebanken opgeheven, waardoor de in 1893 opgerichte Banca d'Italia de enige emissiebank werd.

Uit de periode van de Eerste Wereldoorlog zijn slechts een gering aantal nooduitgiftes bekend van krijgsgevangenenkampen, lokale overheden o.a. Buia, Triest, Udine en Zuid-Tirol. In de door Oostenrijk bezette Venetiaanse gebieden circuleerden biljetten van de Cassa Veneta dei Prestiti.

Na de oorlog wisselde de Banca d'Italia in de van Oostenrijk verkregen gebieden de biljetten van de Oostenrijks-Hongaarse Bank in tegen een koers van 10 kronen tegen 4 of 6 lires. In Fiume, dat bij Joegoslavië kwam, werden Oostenrijkse biljetten van de opdruk FIUME voorzien. Toen in 1919 Fiume door de Italianen werd bezet, werden deze biljetten nog eens van een opdruk voorzien: INSTITUTO Dl CREDITO DEL CONSIGLIO NAZIONALE.

Tussen de beide wereldoorlogen circuleerden in Italië hoofdzakelijk biljetten van de Banca d'Italia naast van staatswege uitgegeven biljetten in lagere waarden. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd wederom weinig noodgeld uitgegeven in krijgsgevangenenkampen, de stad Triest, door enkele particuliere banken (assegni circolari) en tegen de Duitsers strijdende partizanengroepen. Tevens gaf Italië in de bezette gebieden van Montenegro, Griekenland, Egypte en Soedan noodgeld uit. Na de oorlog was de Banca d' Italia als gevolg van de aanhoudende inflatie gedwongen volgens het 1-2-5-systeem biljetten in erg hoge waarden uit te geven van 1.000 tot 100.000 lire.

Voorts circuleerden staatsbiljetten van 500 lire.

In het midden van de jaren zeventig van de 20e eeuw voorzagen particulieren en instellingen in een tekort aan circulerend muntgeld door huismunten en -biljetten in de vorm van b.v. postzegelgeld, plasticgeld, noodbiljetten (bekend als miniassegni), snoepjes, etc. uit te geven. Dit fictieve geld stond bekend als dolce resto.

Koningen van Italië:

Victor Emanuel II 1861-1878

Umberto I 1878-1900

Victor Emanuel III 1900-1946

Umberto II 1946 (geen munten)

W.


Lit.:

Bernocchi, M., Le Monete della repubblica fiorentina, Firenze, 1974-1978;

Cairola, A., Le antiche zecche d'ltalia, Rome 1971;

Corpus Nummorum Italicorum (CNI), Rome 1910-1943. Herdruk, Bologna 1969/1971;

Crippa, C , Le monete di Milano dai Visconti agli Sforza dal 1329 al 1535, Milaan, 1986;

idem, Le monete di Milano durante la dominazione spagnola dal 1553 al 1706, Milaan 1990;

Galeotti, A., Le Monete del Granducato di Toscana, Livorno 1929;

Gamberini di Scarfea, C, Prontuario Prezzario delle Monete, Oselle e Bolle di Venezia, Bologna, 1969;

Kowalski, H., Die Augustalen Kaiser Friedrichs II von Hohenstaufen, Schw. Num. Rundschau (SNR) 1976, blz. 77-150;

Kowalski, H., I Reali di Carlo I d'Angiò, Rome 1979;

Lunardi, G., Le monete della Repubblica di Genova,, Genua, 1975;

Muntoni, F., Le monete dei Papi e degli Stati Pontifici, 4 delen, Rome 1972-1973;

Pagani, A., Monete Italiane dall'invasione Napoleonica ai giorni nostri (1796-1980), Milaan 1982;

Pannuti/Riccio, Le monete di Napoli dalla Caduta dell'Impero alia chiusura della Zecca (ca. 467-1878), Lugano 1984;

Papadopoli, N., Le monete di Venezia, 3 delen, Venetië 1983-1919;

idem, Le monete Anonime di Venezia dal 1472 al 1605, Milaan 1906, herdruk Bologna 1974;

Pialorski, V., Monete della Zecca de Brescia, Brescia 1984;

Simonetti, L., Monete Italiane medievali e moderne, Casa Savoia, Vol. 1-3. Ravenna 1969;

Spahr, R., Le Monete Siciliane dai Bizantini a Carlo I d'Angió (582-1282), IANP-publikatie no. 3, Graz 1976;

Spahr, R., Le monete Siciliane dagli Aragonesi ai Borboni (1282-1836), IANP-publikatie no. 6, Bazel/Graz 1982.




  • Venetië, Orio Malipiero (1178 - 1192), denaro, zilver.
  • Italië, 10.000 lire, 25 aug. 1976, papier, 13,4 x 7,0 cm.
  • Italie 10 centesimi 1862.jpg
  • Italie acmonital 50 cent 1939.jpg
  • Napels en Sicilië, Ferdinand I (1458 - 1494), cavallo, koper, geslagen te Aquila, zie JMP 1962, pl. 1, nr. 1.
  • Italie doppia milaan.jpg
  • Napels en Sicilië, Karel V (1519 - 1554), halve dukaat (mezzo ducato), z.j., goud, geheel naar voorbeeld van Romeinse munt.
  • Italie dukaat venetie.jpg
  • Italie grosso 044 venetie.jpg
  • Italie lira 5 1859.jpg
  • Italië, biljet van I lire, 30 april 1874, papier, 7,6 x 4,2 cm.
  • Venetië, Nicolaas Tron (1471 - 1473), lira tron, z.j., zilver.
  • Italie miniassegni 100 lire 1977.jpg
  • Italie napoleon soldo 110.jpg
  • Italië, I'lstituto Bancario San Paolo di Torino, noodbiljet van 100 lire, 18 febr. 1977, papier 12,6 x 6,4 cm, mini-assegno.
  • Romeinse Republiek, 40 baiocchi 1849, zilver.
  • Kerkelijke staat, Adrianus VI (1522 - 1523), zecchino (dukaat), z.j., goud, Adrianus VI (Adriaan Florisz. Boeyens), afkomstig uit Utrecht, was leermeester van keizer Karel V en regeerde namens hem in Spanje (1517 - 1522).