Ga naar: navigatie, zoeken

Inflatie

inflatie, uit Lat. inflare = opblazen, doen stijgen; ongewenste economische ontwikkeling waarbij o.a. lonen en prijzen stijgen (loon- en prijsinflatie) en de geldhoeveelheid sterk toeneemt (monetaire inflatie).

De Romeinse inflatie uit de 3e eeuw toont aan dat het begrip een eeuwenoud verschijnsel is. Overmatige geldschepping was het gevolg van (soms frauduleuze) verlaging van gehalte en gewicht van munten. Door deze muntverslechtering stegen de prijzen en ontstond op den duur steeds weer behoefte aan grotere muntsoorten als basismunt van het geldsysteem ( penning, sterling, groot, stuiver, gulden, daalder). Een bekende inflatieperiode in de Bourgondische Nederlanden was de tweede helft van de 15e eeuw. In 1489 probeerde rooms-koning Maximiliaan abrupt een einde aan die inflatie te maken met een geldsanering, waarbij de muntvoet van 1466 werd hersteld.

Ook in de 16e eeuw is o.a. door enorme toevloed van edele metalen uit Amerika de inflatie groot geweest.

Een sterke vergroting van het geldvolume kan eveneens worden veroorzaakt door overmatige productie of opwaardering van papiergeld.

Voorbeelden hiervan zijn de bankbiljetten van John Law, de assignaten uit de Franse tijd assignaat en de biljetten van de Duitse superinflatie in de twintiger jaren van deze eeuw. Daarbij liepen de nominale waarden van de hoge coupures op tot miljarden mark.

In België kwam de inflatie tot uiting in de emissie van 1929 met een biljet van de uitzonderlijk hoge waarde van 10.000 frank (2000 belga).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam in België en Nederland de geldhoeveelheid dermate toe dat na de oorlog een geldzuivering nodig was om o.a. ook het inflatiegevaar te beteugelen.

G.

Lit.: Gaettens, R., Inflationen, das Drama der Geldentwertungen vom Altertum bis zur Gegenwart, München 1955; Gelder, H. Enno van, Twee brochures over inflatie in de 17e eeuw, De Beeldenaar (1990-2) 56-61.