Ga naar: navigatie, zoeken

India

India,

1. subcontinent in Zuid-Azië geografisch begrensd door het Himalaya- gebergte, de uitlopers hiervan en de Indische Oceaan, thans bestaande uit de republieken Pakistan, India en Bangladesh. De vroegste muntslag in India ontstond omstreeks de 6e eeuw v.Chr.

in het stroomgebied van de Ganges en bestond uit ingestempelde zilveren plaatjes, karshapanas genaamd, die bekend zijn onder de latere Engelse benaming als "punchmarked coins".

Koperen munten werden voor het eerst omstreeks de 3e eeuw v.Chr. geïntroduceerd en op dezelfde wijze ("punchmarked") danwel d.m.v. het gietproces vervaardigd.

In het grensgebied met het Achaemenidische- of Perzische rijk (Achaemeniden, Taxila en Gandara) dat het huidige Noord-Pakistan omvat, circuleerde vanaf de 6e tot 3e eeuw v.Chr. een zilveren munt in de vorm van een baar met instempelingen op de uiteinden, satamana genaamd; deze was gelijk aan twee Perzische sigloi (siglos) en staat thans algemeen bekend onder de Engelse benaming "bent bar".

Zie hierna: Indo-Grieken. Invallende nomadenstammen (Skythen) uit de steppen van Centraal Azië verdrongen de Grieken uit Baktrië (ca. 100 v. Chr.) en later uit de provincies ten zuiden van de Hindu Kush.

Onder het gezag van de Skythen of Shakas werd de Indo-Baktrische muntslag gecontinueerd inclusief het gebruik van het Griekse schrift en de afbeeldingen van goden en godinnen.

Stammen van de Yue-Chi (= Kushanas) verdrongen op hun beurt de Skythen uit het gebied van het moderne Afghanistan waardoor de controle over belangrijke zilvermijnen verloren ging en het zilvergehalte in de munten sterk verminderde, als gevolg waarvan onder de Kushanas een muntsanering doorgevoerd werd en men overging op een muntstelsel van uitsluitend goud en koper.

De beeldenaars op de Kushana munten bestaan overwegend uit een staande vorst of z'n buste met op de keerzijde een rijke variatie aan afbeeldingen uit de Griekse-, Romeinse-, Perzische- en Indiase godenwereld. Zo vindt men op de munten van Kanishka (ca. 143-166) de vroegst bekende afbeelding van de Boeddha. Na de regering van Vasu Deva (ca. 209-242) valt het Kushana rijk uiteen.

Guptas. In de 4e eeuw ontstond rond Patna, in het huidige Bihar, een nieuw rijk, dat van de Gupta-dynastie. Onder de Guptas beleefde Noord- en Centraal- India een economisch en cultureel hoogtepunt. Deze "Gouden" eeuw van de Hindoe-cultuur heeft ook haar weerslag op de muntslag, die nagenoeg uitsluitend uit gouden staters (7,5 - 9,5 g) bestaat. Koperen en loden munten zijn uiterst schaars en zilveren munten van deze dynastie vindt men hoofdzakelijk in West-India.

In artistiek opzicht zijn het munten van hoog niveau. Zij vertonen de vorst in z'n verschillende hoedanigheden bijv. als boogschutter, ruiter of als jager op leeuwen, tijgers en zelfs op neushoorns, maar ook als luitspeler of samen met z'n gade.

De keerzijde vertoont meestal een afbeelding van de godin van de voorspoed, Lakshmi, zittend op een lotus, maar ook andere figuren uit de Indiase godenwereld werden afgebeeld.

Door de vanuit het westen binnenvallende Hunnen (Hephthalieten) raakte ca. 480 het centrale gezag van de Guptas ondermijnd en viel het rijk uiteen.

Middeleeuwen. Na de invallen van de Hunnen werd India, met uitzondering van de Indusdelta (Sind), tot het begin van de 11 e eeuw niet meer geplaagd door vreemde invallers.

De muntslag in Noord- en Midden- India werd nu hoofdzakelijk bepaald door nabootsingen van Sassanidisch- Hephthalitisch voorbeeld Sassaniden met een afbeelding van de vorst en het vuuraltaar.

Tevens vonden er nabootsingen plaats, gebaseerd op de eerdere muntslag van de Kushanas en de Guptas, alsmede van de Shahis van Ohind (Gandhara), die in de 9e-10e eeuw munten van het stier en ruitertype introduceerde.

Opkomst van de Islam. Met de inval door de Abassidische kalief van Bagdad in 712 in het zuiden van het huidige Pakistan, deed de Mosliminvloed in India zijn intrede. In de 10e eeuw werden er onderdelen van de zilveren dirhem (0,5-1 g) geslagen, de eerste Islamitische munten van India.

Pas rond het jaar 1000 drong de Islam verder naar het Oosten op.

In 1192 werd Delhi ingenomen en werd de grondslag gelegd voor het Sultanaat van Delhi dat zich in enkele jaren over geheel Noord-India tot aan Bengalen uitbreidde.

De muntslag in het Sultanaat van Delhi bestond hoofdzakelijk uit, al dan niet tweetalige, jitals of dehliwals van koper of biljoen (ca. 3,4 g) alsmede gouden en zilveren tanka's met Arabische opschriften en een gewicht van ca. 10,9 g, gelijk aan de traditionele Indiase gewichtseenheid, de tola, die voor edele metalen nog steeds in zwang is.

Door interne anarchie en invallen van plunderende Mongoolse- en Turkse stammen vanuit het noordwesten werd het Sultanaat in de 2e helft van de 14e eeuw verzwakt en werden er door provinciale gouverneurs onafhankelijke sultanaten gesticht die ieder voor zich een eigen muntslag hadden, merendeels gebaseerd op die van het Sultanaat van Delhi.

Zie hierna bij Mogols.

Centraal- en Zuid-India. De algemene en geldgeschiedenis van Zuid-India verliep tot de komst van de Europese handelscompagnieën, vrijwel onafhankelijk van de gebeurtenissen in het noorden.

Door overzeese handelscontacten vanuit het Rode Zee gebied, dat toen door de Romeinen werd beheerst, werden vooral in de 1ste eeuw grote hoeveelheden Romeinse aurei en denarii (aureus, denarius) geïmporteerd. Centraal-India werd vanaf de 1ste eeuw v.Chr. tot ca. 225 gedomineerd door de Andra-dynastie waarvan de muntslag merendeels uit koper en lood bestaat. Kenmerkend is onder andere de vaak voorkomende afbeelding van een olifant op deze munten.

Voor de hogere denominaties werd tot ca. 2e eeuw gebruik gemaakt van zilveren karshapanas alsmede van geïmporteerde Romeinse aurei en denarii.

De muntslag onder de Cholas in Zuid-India beleefde zijn grootste omvang in de 10e-13e eeuw en bestaat uit gouden fanams alsmede uit gouden, zilveren en koperen kahavanus (ca. 4,3 g) met gestileerde figuren van een zittende en staande koning op de voor- en keerzijde.

Als bolwerk tegen de opdringende Moslim-invloed ontstond in 1336 te Vijayanagar in Zuid-India een Hindoe koninkrijk dat tot 1565 floreerde, toen het door invallende moslimlegers werd verwoest.

Door het verdere verval van het rijk van Vijayanagar in de 16e en 17e eeuw ontstond er een groot aantal lokale staten en vazalstaatjes zoals Tanjore, Madura, Tinnevelly en Ramnad. Vorsten van onder andere deze staatjes verleenden privileges aan de vertegenwoordigers van de Europese handelscompagnieën.

De muntslag van de vorsten van de Vijayanagar-dynastie bestond, naast koper, nagenoeg uitsluitend uit gouden varaha's of huns, die door de Portugezen en de latere Europese handelscompagnieën pagoda werden genoemd. De inscripties op deze munten komen voorin Nagari-, Kannada-,Teluguen Tamilschrift.

Zie hierna: India, Europeanen en Brits-Indië.

Papiergeld Reeds van oudsher bestond er in India een bankwezen dat vooral in de 17de en 18de eeuw onder invloed van de toenemende handel met de Europese handelscompagnieën in belang toenam. Inheemse bankiers en geldwisselaars, bekend als shroffs en sahukars, fungeerden als particuliere banken die "Hundis" uitgaven, vergelijkbaar met de wissel en al dan niet op naam gestelde cheques die overdraagbaar waren en in alle belangrijke handelsplaatsen konden worden ingewisseld, zodat transport van grote kapitalen in baar geld werd vermeden. Het "Hundi"-systeem bestaat nog steeds, hoewel het nu meer gebruikt wordt voor cognossementen en rekeningen en minder voor belangrijke financiële transacties.

Van het begin van de 19e eeuw tot 1862 hebben enkele particuliere banken ook bankbiljetten uitgegeven.

Vanaf 1861 tot 1938 werden de bankbiljetten voor Brits-Indië uitgegeven door het Government of India en daarna door de Reserve Bank of India.

Een 25-tal lokale vorstendommen heeft ook papiergeld uitgegeven.

De meeste emissies echter, bestaan uit kas-coupons, uitgegeven gedurende de Tweede Wereldoorlog om te voorzien in de schaarste aan pasmunt.

2. Federale republiek India.

Op 15 augustus 1947 werd India onafhankelijk en viel het sub-continent uiteen in twee staten: Pakistan, (waarvan Oost-Pakistan zich op 26 maart 1971 afscheidde als de onafhankelijke Volksrepubliek Bangladesh) en de op 26 januari 1948 uitgeroepen Federale Republiek India waarin ook de vele lokale vorstendommen werden verenigd.

Het bestaande muntstelsel werd in vereenvoudigde vorm gecontinueerd: 4 pice = 1 anna 16 annas = 1 roepie Het portret van de Britse vorst werd vervangen door het nieuwe symbool van de republiek, het Ashoka- of leeuwenkapiteel.

De eerste munten onder de Republiek werden in 1950 vervaardigd.

In 1957 werd het decimale muntstelsel ingevoerd: 1 roepie = 100 (naya) paisa.

De aanduiding "naya" = nieuw, werd tot 1963 aan de denominatie paisa toegevoegd ter onderscheiding van de oude pice of paisa (1/64 roepie).

De uitgifte van papiergeld geschiedde na de onafhankelijkheid, evenals onder het Britse bestuur, door de Reserve Bank of India, met uitzondering van de 1 roepie biljetten die door het Government of India zijn uitgegeven. De modern roepie, ISO 4217-code INR is nog steeds onderverdeeld in 100 paise, maar munten in paise zijn voor het laatst geslagen in 2011.

L.

Lit.: Gupta, P.L., Coins (India - The land and the people), New Delhi 1979; Mitchiner, M., The Ancient & Classical World, 600B.C.-A.D. 650, Londen 1978; idem, The World of Islam, Londen 1977; idem, Non-islamic States & Western Colonies A.D. 600-1979, Londen 1979 en de in deze werken opgenomen literatuurverwijzing aangevuld met onderstaande recente werken (numismatisch-chronologisch gerangschikt) Gupta, P.L. en T.R. Hardaker, Silver Punchmarked Coins of the Magadha- Maurya Karshapana Series, Nasik 1985; Turner, Paula J., Roman Coins from India, Londen 1989; Göbl, R., Münzpragung des Kusanreiches, Wenen 1984; Mitterwallner, G, Kusana coins and sculptures, Mathura 1986; Deyell, J. S., Living without silver, the monetary history of early medieval North India, New Delhi 1990; Maheshwari, K.K., & K.W. Wiggins, Maratha Mints and Coinage, Nasik 1989; Sinnappah Arasaratnam, Merchants, Companies and Commerce on the Coromandel Coast 1650-1740, New Delhi 1986; Richards, J.F., ed., The Imperial Monetary System of Mughal India, New Delhi 1987; Ferraro Vaz, J., Indo-Portuguese Money, Braga 1980; Pridmore, F., The coins of the British Commonwealth of Nations to the end of the reign of George VI1952, Part 4 Vol. 1 & 2 Londen 1975, 1980.


  • India 100 roepie 2005 portret Gandhi kz.jpg
  • India 100 roepie 2005 portret Gandhi vz.jpg
  • India 1 roepie 1991.jpg
  • India 3 paisa 1964 aluminium.jpg
  • India, 10 roepies, 1969, zilver, portret van Mahatma Gandhi (1869 - 1948).
  • India, Gupta-dynastie, Chandragupta II (ca. 380 - 414), vz Koning, gehuld in lendendoek als boogschutter op leeuwenjacht; kz godin gezeten op een leeuw, stater, goud.
  • Brits-Indië, Edward VII (1901 - 1910), Hundi, voorzien van voorgedrukte belastingzegel: 1 roepie 8 annas (= 1 1/2 roepie), voor transacties tot Rs. 2500,00, 21,6 x 21,8 cm.
  • Centraal-India, Andra-dynastie, karshapana met de familienaam "Siri Satakarni" boven olifant (ca. 30 - 100), potin.
  • India ladakh timasha 1871 AD.jpg
  • India mysore 5 cash 19e eeuw.jpg
  • India pagode 1630 1641.jpg
  • India, 10 naye paise, 1957, koper-nikkel.
  • India, 1 pice, 1953 (geslagen te Bombay), brons.
  • Noord- en Midden-lndia; Nandadynastie (ca. 350 - 320 v. Chr.), karshapana of "punchmarked coin", zilver.
  • N.W.-lndia, satamana of "bent bar", 6e-3e eeuw v.Chr., zilver.
  • N.W.-lndia, Shahis van Ohindfca. 870 - 1008); munteenheid met de titel Samanta Deva (Opperbevelhebber), zilver.