Ga naar: navigatie, zoeken

Hertog

hertog, (lat. dux), was in de voor- Karolingische tijd een aanvoerder van een grote stam. In het Karolingische rijk werden de hertogen bestuursambtenaren, maar na het verval van dat rijk kregen de stamhertogen, zoals de hertogen van Beieren en Saksen in het Duitse Rijk (Roomse Rijk) en de hertogen van Bretagne en Bourgondië in Frankrijk, weer een grote mate van zelfstandigheid. Zij hebben zich steeds bevoegd geacht de muntslag uit te oefenen. In de late Middeleeuwen werden sommige graven door de koningen tot hertog verheven. In de Nederlanden verkregen de graven van Gelre Gelderland, landsheerlijke periode (1338) en Luxemburg (1354) de hertogstitel; Brabant (oorspronkelijk Neder- Lotharingen) was vanouds een hertogdom.

Behalve op munten uit Brabant, Gelre en Luxemburg komt de titel verder voor op muntstukken van de Bourgondische vorsten in hun hoedanigheid van hertog van Bourgondië, Bourgondische Nederlanden en op die van de Saksische gubernators van Friesland, gubernator als hertog van Saksen; Saksische hertogen. Daarnaast bleef Gelderland zich tijdens de Republiek tot in de 18e eeuw hertogdom (Lat. ducatus) noemen, meestal in de afkorting DG (&) CZ. Tijdens de opstand tegen Philips II heeft ook Brabant zich als ducatus aangeduid.

J.S.