Ga naar: navigatie, zoeken

Hand

hand,

1. muntteken van Antwerpen, ontleend aan het wapen van die stad.

2. een in vele varianten op munten voorkomend motief met verschillende betekenis.

De belangrijkste varianten zijn:

a. de zegenende hand (Lat. manus dextra Dei, de rechterhand Gods).

Deze wordt afgebeeld als een geopende hand of als een hand waarvan de ringvinger en pink naar binnen zijn gevouwen en die meestal uit de hemel reikt, eenvoudig voorgesteld door een boog. Vaak is hij vergezeld door een A en Ω en hij is het symbool van de goddelijke oorsprong van de wereldlijke macht, het Dei gratia-principe.

Hij kwam reeds voor op laat-Romeinse munten (vanaf Constantius II) en op Byzantijnse munten. Voorts op Angelsaksische pennies, o.a. van Aethelred II (979-1016). Imitaties daarvan zijn o.a. de penning van Adela van Hamaland (afgezet 1016), geslagen rond 1000, en de penning van koning Hendrik II (1002-1024), geslagen te Deventer na zijn keizerskroning (1014). Op de penning van Robert I van Vlaanderen (Robert de Fries 1072-1093), o.a. geslagen te St.-Omaars naar voorbeeld van Besançon, komt de zegenende hand voor zonder hemelhoog. Ook op de heller treft men hem aan.

b. de handslag, twee ineengestrengelde handen, die reeds op Romeinse munten een symbool waren voor verbondenheid (conjunctio) eendracht (concordia), trouw (fides) en vrede (pax).

Op de Groningse achtentwintig van 1681 komt deze handslag voor, vergezeld van symbolen voor geloof (alziend oog) en vrijheid (hoed).

De handslag komt ook voor op de gulden en halve gulden van de Verenigde Belgische Staten van 1790 en op de geuzenpenning.

G.