Ga naar: navigatie, zoeken

Gulden

gulden, (= gouden) oorspronkelijk de benaming van de Florentijnse fiorino van 1252, de eerste belangrijke Westeuropese gouden munt sinds de 9e eeuw.

1. Muntsoort. In Italië volgden snel vergelijkbare emissies waarvan die van de Venetiaanse dukaat de belangrijkste was. De naam gulden komt als muntnaam het eerst voor in Noord-Nederlandse teksten rond 1325.

Vlak daarna werden in de Nederlanden de eerste guldens naar Florentijns voorbeeld geslagen. Dit type met St. Jan en de lelie werd al spoedig florijn genoemd, waardoor het Florentijnse voorbeeld in 1345 in Holland aangeduid werd als de "gulden floryn van Florense". Later raakte de naam gulden meer in zwang, hoewel het symbool voor de gulden nog steeds ƒ of fl. is.

In de tweede helft van de 14e eeuw werd in het westen van Duitsland en in de Nederlanden het Florentijnse type verlaten en kwamen eigen beeldenaars in zwang. Vooral de guldens van de vier keurvorsten aan de Rijn, de zogenaamde Rijnse gulden, vonden ruime verbreiding en werden op hun beurt in de Nederlanden nagevolgd. Hiervan was de emissie van de Gelderse guldens op naam van Willem I (1371-1402) de grootste. In dezelfde tijd werden gewicht en gehalte verlaagd, zodat in het begin van de 15e eeuw de Rijnse gulden nog slechts 2,7 gram goud bevatte en de Nederlandse guldens soms nog aanzienlijk minder (arnoldusgulden, postulaatgulden). Omstreeks 1460 had de Rijnse gulden in de Nederlanden een waarde van 20 Bourgondische stuivers.

Toen later de koers van dit goudstuk steeg, bleef de term gulden (of Rijnse gulden) in gebruik als rekeneenheid van 20 stuiver. In de Bourgondische Nederlanden werd de Rijnse gulden in 1466 overgenomen als de andriesgulden (3,4 gram, gehalte 0,79).

Om een betere aansluiting te krijgen bij de inmiddels ingeburgerde rekengulden van 20 stuivers, werden in 1521 het gewicht en het gehalte van de gulden nog verder verlaagd tot 2,9 gram en 0,58, waardoor deze karolusgulden een waarde kreeg van 20 stuivers. In 1526 werden alle boekhouders verplicht uitsluitend te rekenen in de karolusgulden (ook wel Rijnse gulden genoemd) van 20 stuivers, waardoor de gulden de nationale rekeneenheid werd. Onder invloed van de opkomst van de daalder rond 1540, verscheen er in 1543 een zilveren karolusgulden van 26,14 gram en een gehalte van 0,833.

Hiermee raakte in de Nederlanden de term "zilveren gulden" ingeburgerd.

Tijdens de regering van Philips II verdween de gulden als muntsoort, hoewel hij zijn vaste plaats als rekeneenheid van 20 stuivers bleef behouden. In de Zuidelijke Nederlanden verschenen er weliswaar weer guldens in 1599, maar deze zijn nauwelijks in omloop geweest.

In 1631 probeerde aartshertogin Isabella nogmaals een zilveren gulden van 20 stuivers (12,3 g.; 0,835) in omloop te brengen, maar hiervan werden er slechts 421 geslagen. Wel bleef de gulden in het Zuiden de algemene rekeneenheid tot aan het einde van de 18e eeuw.

In het Noorden begonnen verschillende gewesten kort na 1600 "zilveren" goudguldens van 28 stuivers te slaan, die al spoedig de naam florijn kregen. Deze waarde van 28 stuivers gaat terug op de koers van de Rijnse goudgulden rond 1500, die daarna onder de naam goudgulden als rekeneenheid van 28 stuivers is blijven bestaan. Provinciale guldens van 20 stuivers verschenen pas weer in 1680 op initiatief van Holland, met een gewicht van 10,61 gram en een gehalte van 0,917.

Deze muntsoort werd door alle provincies en steden behalve in Friesland en Groningen overgenomen.

In 1694 werd deze gulden generaliteitsmunt en daarmee de standaardmunt van de Republiek.

Op de voorzijde is de Nederlandse maagd afgebeeld (eigenlijk Minerva/ Pallas Athene) en op de keerzijde het wapen van de Staten-Generaal en de waarde-aanduiding (driegulden). Er verschenen stukken van 3, 2, 1½ (halve driegulden), 1, ½ (10 stuivers) en 1/4 gulden (5 stuivers).

Willem I nam deze gulden als voorbeeld voor de standaardmunt van het Koninkrijk der Nederlanden (10,766 g.; 0,893), maar de overwaardering van het goud maakte in 1839 een daling van de zilverinhoud nodig. Tegelijk liet men het gewicht van de gulden beter aansluiten bij het nieuwe decimale gewichtsstelsel, waardoor het gehalte verhoogd moest worden (10,00 g.; 0,945). Om het onderscheid met de gulden van 1816 groter te maken, kwam er in 1840 een nieuw portret van Willem I. Tijdens de regeringen van Willem II (1840-1849) en Willem III (1849-1890) kwam er in beide gevallen eenmaal een nieuw vorstenportret, maar tijdens de regering van Wilhelmina verschenen er nieuwe portretten in 1892, 1898 en 1910.

Door de invoering van de gouden standaard in 1875 werd de zilveren gulden tekenmunt, maar de zilverinhoud werd pas na de Eerste Wereldoorlog in 1919 verlaagd door het gehalte te brengen op 0,720. Hierdoor was er wederom een nieuw portret van Wilhelmina nodig om de oude guldens gemakkelijk uit omloop te kunnen nemen. Dit vierde portret verscheen in 1921 op de halve gulden en in 1922 op de gulden.

Na de Tweede Wereldoorlog moest er volgens de Muntwet van 1948 wederom een zilveren gulden komen met een gewicht van 6,5 gram en een gehalte van 0,720. De eerste munten met het portret van Juliana (1948-1980) en het jaartal 1954 verschenen pas in 1956 in de omloop.

Deze zilveren guldens verdwenen al zo'n tien jaar later, toen in 1967 de zilverprijzen zeer snel begonnen te stijgen. Sindsdien wordt de gulden uitgevoerd in nikkel, met een gewicht van 6 gram. In 1980 verschenen er guldens met het dubbelportret van Juliana en Beatrix (inhuldigingsmunten), tijdens de regering van Beatrix (1980-2013) in 1982 gevolgd door de munten volgens het ontwerp van Ninaber van Eyben.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de munten van edelmetaal zoveel mogelijk vastgehouden, waardoor er in 1914 de zilverbon (= muntbiljet) in omloop werd gebracht van 1, 2½ en 5 gulden. Deze biljetten verdwenen na de Eerste Wereldoorlog, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen er wederom muntbiljetten die definitief ingetrokken werden na de invoering van het laatste type zilveren gulden.

In de 18e eeuw liet de VOC guldens en drieguldens voor Oost-Indië slaan. In 1821 werden te Utrecht guldens geslagen met als binnenomschrift: NEDERLANDSCH INDIE. De Nederlandse gulden werd in 1854 ook wettelijk de standaardmunt voor Nederlandsch-Indië. Hiervan is de Indonesische rupiah afgeleid. De Nederlandse gulden werd in 1826 tevens de standaardmunt in Suriname en de Nederlandse Antillen. Hiervan zijn de huidige munteenheden van Suriname, de Nederlandse Antillen En Aruba afgeleid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er in de Verenigde Staten te Denver munten van 2 ½, 1, ¼ en 1/10 gulden geslagen (met tekens palmboom en letter D) met in het omschrift MUNT VAN CURAÇAO.

2. Rekeneenheid. Rond 1390 had de Gelderse "nieuwe gulden" een waarde van 32 Gelderse groten of 24 Overijsselse plakken. Enkele jaren later blijkt uit de stedelijke boekhoudingen van Deventer en Zwolle dat de "nieuwe gulden" nog steeds voor 24 plakken werd genoteerd, terwijl de Gelderse gulden als muntstuk een hogere waarde had gekregen. Hierdoor werd de "nieuwe gulden" een vaste rekeneenheid van 24 plakken, waardoor in de Nederlanden voor het eerst de rekeneenheid gulden een apart leven ging leiden naast de in werkelijkheid circulerende munten van diezelfde naam.

In Utrecht ontwikkelde zich in de 15e eeuw een rekengulden van 30 wit en in de Bourgondische Nederlanden, zoals hierboven al genoemd, de rekengulden van 20 stuiver onder de naam karolusgulden of Rijnse gulden en de rekeneenheid goudgulden met een waarde van 28 stuiver; zie ook: philippusgulden. In de 17e eeuw ontwikkelden zich in de Nederlanden verschillende rekeneenheden: in de Republiek de gulden bankgeld, gebaseerd op de rijksdaalder van 50 stuivers van 1606, daarnaast het courantgeld, gebaseerd op het geld in omloop (vanaf 1694 samenvallend met de zilveren gulden) dat ca. 5% in koers lager lag. In het Zuiden was de wisselgulden gelijk aan de bankgulden van de Republiek. Daarnaast functioneerde de gulden Brabants of courantgulden (wisselgeld). De Luikse gulden kreeg in de tweede helft van de 18e eeuw een vaste verhouding tot de Brabantse gulden: 10 gulden Luiks = 7 gulden Brabants (Brabants-Luikse gulden). De nieuwe Nederlandse gulden van het koninkrijk werd in 1816 officieel gelijkgesteld met de wisselgulden van de Zuidelijke Nederlanden.

Hierdoor kwam de Franse frank volgens de wet van 25 germinal van het jaar IV (14 april 1796) op de iets te hoge koers van 47,25 cent.

In het Groothertogdom Luxemburg was de Nederlandse gulden van 1816-1848 de officiële rekeneenheid Luxemburgse gulden .

3. Niet-Nederlandse guldens. De eerste zilveren munten met dezelfde waarde als de gouden gulden verschenen in 1486 in Tirol (daalder). Aanvankelijk hadden beide muntsoorten dezelfde waarde van 60 kreuzer, maar weldra liepen de koersen van de gouden gulden en de zilveren daalder op. De naam gulden bleef in het Duitse rijk tot in de 19e eeuw een rekeneenheid van 60 kreuzer en was hiermee gelijk Aan 2/3 van de rekeneenheid rijksdaalder van 90 kreuzer. In de Zuidduitse staten bleef de gulden munteenheid tot de invoering van de mark in 1873, in Oostenrijk-Hongarije (sedert 1858 onderverdeeld in 100 heller) tot de invoering van de krone in 1892. De in Noord-Duitsland sinds 1666 geslagen zweidrittel(taler) werd ook gulden genoemd. In Polen handhaafde de gulden zich onder de naam zloty. Vandaar dat de munteenheid van de vrije stad Dantzig van 1923 tot 1939 gulden heette.

Lit.: Gelder, H.E. van, Geschiedenis van de gulden, Muntverslag 1951 's-Gravenhage 1952, p 35-42; Idem, Nieuwe guldens, Arnhemse guldens, Rijnse guldens enzovoort in: Boer, D.E.H, de, en J.W. Marsilje (red.), De Nederlanden in de late Middeleeuwen, Utrecht 1987, p. 354-362.











  • Gulden bergh oswald II gulden zj.jpg
  • Nederland, zilverbon van 1 gulden, 1938, 13,0 x 7,3 cm. Nederland, muntbiljet van 1 gulden, 1943, 12,7x 7,2 cm. Nederland, muntbiljet van 1 gulden, 1945, 11,5 x 6,0 cm.
  • Brabant (Antwerpen), Karel V (1506 - 1555), karolusgulden, goud.
  • Gulden dantzig 2 gulden 1923.jpg
  • Gulden driesteden deventer.jpg
  • Gulden franeker.jpg
  • Gulden gelderland.jpg
  • Gulden gerard groesbeek.jpg
  • Gulden holland 1809.jpg
  • Gulden holland 2.jpg
  • Holland, 3 gulden 1681, zilver.
  • Gulden hongarije.jpg
  • Gulden javasche bank 25 gld.jpg
  • Nederland, Juliana, gulden, 1967, nikkel.
  • Gulden Ned ind 1815.jpg
  • Nederlandsch-Indië, Willem I (1814 - 1840). gulden, 1821, zilver.
  • Gulden nederlands nieuw guinea muntbiljet 1 gld.jpg
  • Gulden Nederlandsch Indie.jpg
  • Gulden nijmegen 1499.jpg
  • Gulden oostenrijk 1 gulden 1888.jpg
  • Gulden overijssel 1737 056.jpg
  • Gulden suriname hekman.jpg
  • Nederland, Wilhelmina (1890 - 1948), gulden, 1929, zilver.
  • Nederland, Willem 1 (1813 - 1840), 1 gulden 1823, zilver.
  • Nederland, Willem II, (1840 - 1848), gulden, 1847, zilver.
  • Gulden zilverbon 1 gld 1920.jpg
  • Gulden zuidelijke nederlanden dubbele gulden 1600.jpg
  • Vlaanderen, Karel V (1506 - 1555), karolusgulden, zilver, ingestempeld met wapen van Zeeland (1573 - 1574).
  • Luik Jan van Horn gulden.jpg