Handelingen

Griekenland

Uit Wiki Munten en papiergeld

Griekenland, (Grieks: Hellas), republiek in het zuiden van Europa, in het Balkanschiereiland met als hoofdstad Athene. Buiten gebieden op het vasteland horen er ook heel wat eilanden zoals Kreta, Euboea, de Cycladen, de Noordelijke en de Zuidelijke Sporaden (de Dodekanesos) en de Ionische eilanden tot de Republiek.

Het land verkreeg zijn onafhankelijkheid in 1828.

Voor de monetaire geschiedenis in de oudheid en de vroege middeleeuwen zie: Griekse muntslag, Griekse keizersmunten en Byzantijnse rijk. Na de verovering van Constantinopel in 1204 door het leger van de Vierde Kruistocht viel het Byzantijnse rijk uiteen. Enkele Griekse adellijke families vluchtten weg uit de hoofdstad en stichtten kleine rijkjes in Nicae in westelijk Klein- Azië, Epirus op de Balkan en in Trebizonde aan de Zwarte Zee.

Daar zetten zij, zo goed en zo kwaad als dat ging, de Byzantijnse muntslag nog enkele eeuwen voort.

De Westeuropese ridders van de kruistocht trokken niet verder in de richting van Jerusalem, maar vestigden een aantal vorstendommen in Constantinopel, op het Griekse schiereiland en op de eilanden. Al spoedig kwam het in die gebieden tot een eigen muntslag. De graven en hertogen van Achaia, Athene en Neopatras, Negropontum (Euboea), Naxos en andere kleine vorstendommen sloegen hun munten in de eerste plaats naar het voorbeeld van de zilveren denier van Tours, maar ook Italiaanse munten, zoals de Venetiaanse grosso en dukaat en de Florentijnse gulden, werden nagevolgd.

Vanuit de in Byzantijnse handen gebleven rijken van Nicea en Epirus werd in 1261 Constantinopel terugveroverd, later ook het gebied van Thessalonica. De meeste Griekse vorstendommen bleven tot ver in de 15e eeuw onder westerse heersers, Naxos tot 1566 en Kreta werd zelfs pas in 1669 door de Venetianen verlaten. De omstreeks 1350 begonnen opmars van de Turken leidde in 1453 tot de val van Constantinopel, in 1458 werd Athene bezet en in een geleidelijk proces geraakten heel het vasteland en tenslotte ook de eilanden, met Kreta als laatste, onder Turks bestuur.

Afgezien van enige westerse invloed vanuit Kreta en in het zuidwesten van de Peloponnesus, waar de forten Koron en Modon in Venetiaanse handen bleven en zorgden voor de verspreiding van wat Venetiaans geld, circuleerden tijdens de Turkse periode in het Griekse gebied uitsluitend munten van de Ottomaanse sultans )Osmanen), die deels te Salanik (Thessalonica), deels in Constantinopel werden geslagen.

Direct na het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1828 werden eigen Griekse munten geslagen op basis van een zilveren phoinix van 100 lepta; ook het eerste papiergeld van 1831 heeft een waardeaanduiding in deze phoinix. Bij het begin van de monarchie in 1832, toen Otto van Beieren tot koning werd uitgeroepen, bleef de kort tevoren, in 1831, ingevoerde nieuwe drachma gehandhaafd; deze drachma was eveneens onderverdeeld in 100 lepta.

Vanaf 1885 werd papiergeld uitgegeven door de Nationale Bank.

Daarnaast opereerde een aantal regionale banken, waarvan de Ionische Bank al sedert 1843 papiergeld uitgaf. Wijzigingen in de regeringsvorm brachten nieuwe muntreeksen in de periode van 1924-1935, toen Griekenland tijdelijk een republiek was, en opnieuw na 1973 toen het koningschap voor de tweede maal werd afgeschaft.

De Ionische eilanden voor de westkust van Griekenland hadden een aparte geschiedenis: deze eilandengroep stond voor 1809 onder bestuur van Engelsen, Fransen, Venetianen, Russen en Turken. In die periode werden er munten geslagen door Venetianen en Russen. Daarna volgde een periode tot 1862, waarin onder Brits protectoraat door de Engelsen gemunt werd.

Vanaf 1864 kwamen de eilanden onder Grieks bestuur en werd voortaan Grieks geld gebruikt.



  • Griekenland, bankbiljet van 50 drachmai, 8 december 1978, 14,4 x 6,5 cm.
  • Griekenland, 500 drachme 1944, 140 x 63 mm.
  • Griekenland, 1 drachme, 1976, aluminiumbrons.