Ga naar: navigatie, zoeken

Gewichtsstelsel

Gewichtsstelsel.jpg

gewichtsstelsel, systeem van onderling samenhangende gewichtseenheden.

Aangezien de nominale waarde van de munten oorspronkelijk is afgeleid van het gewicht aan edelmetaal, zijn de eenheden van de oudste geldstelsels afgeleid van de toen gangbare gewichtseenheden.

Hierdoor speelt de metrologie, de wetenschap van maten en gewichten, een belangrijke rol in de numismatiek.

In Lydië en Griekenland (Griekse muntslag) baseerde men zich voor de eerste muntslag op de stater, een onderverdeling van de Babylonische mina van ongeveer 491 gram. Afhankelijk van de onderverdeling van de mina in 50 of 60 staters, ontstonden er standaardmunten van ca. 12 gram (o.a. Aeginetische muntvoet) of ca. 8 gram (o.a. Korinthe en de Griekse koloniën in Zuid-Italië). Door de sterk opkomende macht van Athene groeide het belang van de Attische muntvoet, vooral toen Alexander de Grote deze muntvoet als basis nam voor het geldstelsel van zijn nieuwe wereldrijk. De basis van het Attische stelsel was de drachme of halve stater van 4,3 gram. Het Romeinse pond, onderverdeeld in 12 ons, is eveneens afgeleid van de mina (1 pond = 2/3 mina = 327 gram). Hierin bleef de drachme een rol spelen als 1/8 ons, waardoor in de Middeleeuwen de drachme een medicinaal gewicht was dat precies gelijk moest zijn aan het gewicht van de gouden dukaat (3,5 gram).

Het Karolingische pond werd gelijk gesteld met 15 Romeinse ons en kwam daardoor op 409 gram. Bij de munthervorming van Karel de Grote vlak na 790 moesten er voortaan 240 penningen uit een pond geslagen worden. Hiermee werd het pond onderverdeeld in 20 schellingen van 12 penningen. Omdat de muntvoet nu weer nauw gekoppeld werd aan het gewichtsstelsel, kreeg de naam "pond" langzamerhand meer betekenissen. Het pond kon in de late Middeleeuwen op drie manieren worden gebruikt: als een gewichtseenheid (bijvoorbeeld het pond van 409 gram), als een geldbedrag (240 penningen) en als een telwoord voor 240 (1 pond groten = 240 groten). De belangrijkste gewichtsstelsels in de Nederlanden in de late Middeleeuwen waren het Keulse en het Trooise stelsel. De basis voor beide was de mark van een half Karolingisch pond. De Keulse muntmark was aanvankelijk onderverdeeld in 12 schellingen van 12 penningen, net als de Trooise mark die oorspronkelijk 144 penningen bevatte.

Waarschijnlijk door invloeden vanuit Engeland werd de Keulse muntmark verhoogd tot 160 penningen, wat overeenkomt met 8 ons van 20 engels. Rond 1200 gold de Keulse muntmark 234 gram.

De Trooise mark is genoemd naar de Franse stad Troyes, in de Middeleeuwen een belangrijk handelscentrum.

In de 14e eeuw begon de mark Troois de Keulse mark en de Vlaamse mark te verdringen als muntgewicht. Dit proces werd versneld door de Bourgondische muntunificatie van 1433. Hierdoor groeide het Parijs Troois gewicht (1 mark = 244,75 gram) uit tot belangrijkste standaard voor muntgewichten.

Meestal werd het gewicht van de munten in muntordonnanties aangegeven met de "snede", het aantal munten dat uit één mark geslagen moest worden.

Ook buiten Europa zijn de munten van edelmetaal afgeleid van de lokale gewichtsstelsels.

Het moderne gram/kilogram gewichtsstelsel werd voor het eerst als basis voor een muntreeks ingevoerd in Frankrijk in 1795 (vijf frank van 25 gram). Dit stelsel werd in 1832 in België overgenomen. De eerste Nederlandse muntwet van 1816 vermeldde weliswaar het voorgeschreven gewicht in grammen (toen nog wichtjes genoemd), maar de standaardmunt, de gulden, werd gebaseerd op een gewicht van 200 azen fijn zilver. Pas met de wet van 1839 werden de gewichten van de gulden en de rijksdaalder (10 resp. 25 gram) gebaseerd op het moderne stelsel. Door het verlaten van de intrinsieke waarde van de munten in de 20e eeuw, is er in de meeste landen meer aangesloten bij het gram/kilogramstelsel.

Hollands Troois Na de afscheiding van de Republiek in 1581 steeg de Hollandse Trooise mark langzaam ten opzichte van de Parijse standaard die nog steeds in het Zuiden werd gebruikt, waardoor er een licht verschil ontstond tussen de gewichtsstelsels van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

Lit.: Wittop Koning, D. A., en G. M. M. Houben, 2000 jaar gewichten in Nederland, Van Loghum Slaterus 1980; Houben, G. M. M., The Weighing of Money, Zwolle 1982.