Ga naar: navigatie, zoeken

Generaliteitsmunten

generaliteitsmunten, munten tijdens de Republiek geslagen op grond van wetgeving van de Staten-Generaal.

Dit in tegenstelling tot munten, waaraan gewestelijke of stedelijke reglementen ten grondslag lagen.

Kenmerken van generaliteitsmunten zijn: ze dragen meestal het generaliteitswapen. De omschriften bevatten gewoonlijk de Latijnse spreuk CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT (= eendracht maakt macht). Verder in het Latijn de aanduiding "munt van de staten van de Verenigde Nederlanden".

De provincie van vervaardiging wordt aangeduid door de provincienaam, in afkorting, aan het eind van het omschrift; gewoonlijk bovendien door een klein provinciewapen en/of munt- en muntmeestertekens. De generaliteitsmunten zijn in beginsel door de zeven gewesten plus het landschap West-Friesland geslagen.

Bovendien zijn de generaliteitsmunten aangemunt door de Rijkssteden (door Groningen nauwelijks), waarbij het type licht gewijzigd is (soms met een verwijzing naar de Duitse keizer).

De generaliteitsmunten waren over het algemeen voor het grote betalingsverkeer bestemd. Het gaat dus meestal om gouden en grote zilveren muntstukken. Het betreft de volgende stukken: (met vermelding van de wetgeving): ordonnantie van 4 augustus 1586 (nog op naam van Leicester): gouden rozenobel, dukaat, zilveren leicesterreaal, leicesterrijksdaalder, stoter, stuiver; ordonnantie van 21 maart 1606: gouden dubbele dukaat, gouden rijder (in 1749 heringevoerd), zilveren Nederlandse rijksdaalder, leeuwendaalder, tien stuiver; resolutie van 20 januari 1614: zilveren dubbele stuiver, stuiver (in 1619 beeldenaar gewijzigd; in 1738 heringevoerd); resolutie van 19 juni 1659: zilveren rijder, zilveren dukaat; ordonnantie van 17 maart 1694: zilveren driegulden met onderdelen, daalder, florijn.

J.S.