Ga naar: navigatie, zoeken

Friesland

Friesland, de huidige provincie in het Noorden van Nederland omvat slechts een deel van het eertijds door de Friezen bewoonde gebied.

In de Merovingisch-Karolingische tijd (waaruit de eerste Friese muntslag dateert) strekte het Friese gebied zich van Zeeland tot Noord- Duitsland uit. In de veertiende eeuw heeft Friesland zijn tegenwoordige omvang gekregen. Het door de stad Groningen gedomineerde oostelijke deel bleef zich echter nog lang Friesland tussen Eems en Lauwers noemen.

In Friesland is eerst anoniem gemunt (in de Merovingisch-Karolingische Periode, en begin elfde eeuw), daarna door Brunswijkse graven (1038-1090) en Utrechtse bisschoppen (1077-1212) Utrecht, bisdom, door de Friese Vrijheid, de Friese steden (ca. 1425-1492), door Saksische hertogen (1498-1515) en Karel V (1527-1530) en tenslotte door het gewest Friesland (1580-1738).

1. Anonieme muntslag (Friese imitaties). De in de Merovingisch-Karolingische periode (7e-9e eeuw) geslagen munten zijn Friese munten in die zin dat ze op Fries grondgebied (in niet nader aan te duiden ateliers) zijn geslagen. Het betrof echter veelal imitaties van munten van elders.

In de zevende eeuw werden Romeinse en Byzantijnse goudstukken, solidus en tremissis, geïmiteerd. De in de achtste eeuw in groten getale geslagen sceatta's waren eveneens van een buitenlands (Engels) voorbeeld afgeleid, zij het dat de Friezen later wel een eigen type hebben ontwikkeld. De uit de negende eeuw daterende gouden solidi waren imitaties van die van Lodewijk de Vrome, de tegelijkertijd geslagen zilveren denarii waren ook ontleend aan die van Lodewijk de Vrome of aan die van zijn zoon Lotharius I.

2. Muntslag door Brunswijkse graven (Brunonen) en Utrechtse bisschoppen (Utrecht, bisdom). In de elfde eeuw werden aanvankelijk kortstondig anonieme penningen geslagen, daarna zijn op naam van de Brunswijkse graven als graaf van Friesland in zowel het huidige Friesland als Groningen de eerste eigen Friese munten aangemunt. Na de val van de Brunonen hebben de Utrechtse bisschoppen (die de grafelijke macht in Friesland opeisten) van 1077 tot 1212 te Stavoren gemunt. In zeer geringe hoeveelheden zijn daar lichte zilveren muntjes (gew. 0,2 g), zgn. Friese penningen geslagen.

3. In de 14e en 15e eeuw was er in Friesland geen landsheerlijk gezag. Friese landsheerlijke munten uit die tijd ontbreken dan ook. Er is in de 14e eeuw wel aangemunt door de goudsmid Jacob op naam van de Friese Vrijheid.

4. Stedelijke muntslag. Door verschillende steden zijn, althans in de vijftiende eeuw, wel munten, over het algemeen alleen zilveren, maar in Franeker ook gouden, geslagen. Meestal zijn ze naar Gronings, soms ook naar Bourgondisch-Nederlands voorbeeld vervaardigd te Leeuwarden ca. 1425-1435 en 1472-1492, Bolsward ca. 1455 en 1472-1478, Franeker 1485-1492, Sneek ca. 1470-1477 en 1492-93 en Workum ca. 1490.

5. Landsheerlijke muntslag. Pas aan het begin van de 16e eeuw zijn de Saksische hertogen als erfelijk gubernator van Friesland erin geslaagd een effectief landsheerlijk gezag in Friesland te vestigen. Een uiting daarvan is de muntslag (te Leeuwarden en Sneek) op naam van respectievelijk Albrecht (1498-1500), George en Hendrik tezamen (1500-1502) en George alleen (1502-1515).

In 1524 verwierf Karel V Friesland, dat werd opgenomen in de Bourgondische Nederlanden. Onder Karel V is in 1527 in Leeuwarden een munthuis geopend en in 1530 al weer gesloten; er zijn alleen halve zilveren realen en stuivers van het algemene Bourgondische type bekend met als muntteken een leeuw binnen een wapenschild.

6. Gewestelijke muntslag. In 1580 en 1581 zijn op naam van Philips II in het heropende munthuis te Leeuwarden philipsdaalders geslagen, maar in werkelijkheid ging het om eigenmachtige aanmuntingen van de gewestelijke Staten van Friesland. Het provinciale muntatelier, dat als muntteken afwisselend het stadswapen van Leeuwarden (leeuw), al dan niet binnen een wapenschild, en het provinciewapen (twee gaande leeuwen) voerde, heeft in het begin van de zeventiende eeuw een korte bloeitijd gekend. Daarna liep de productie snel terug, in 1752 werd het munthuis zelfs gesloten.

In Leeuwarden zijn tijdens de Republiek de gangbare typen geslagen, daarnaast echter in veel groter getale eigen Friese typen, zoals in goud en zilver de Friese rijder, in zilver de florijn met als beeldenaar de zogenaamde Friese boer en in koper de Friese oord, ook met de Friese boer.

Stedelijke muntslag heeft zich niet meer voorgedaan. Hoewel op het direct na 1580 geslagen kleingeld Leeuwarden wel heel nadrukkelijk vermeld staat, is dat kleingeld, blijkens de daarop voorkomende aanduiding ORD. FRI. in opdracht van de gewestelijke staten van Friesland aangemunt.

Deze gewestelijke staten hebben van 1591 tot 1594 een tweede munthuis te Reiderschans ten oosten van Delfzijl geëxploiteerd, waar toen een Fries garnizoen was gelegerd.

Daar werden net als in Leeuwarden gouden dukaten (dukaat), zilveren arendsrijksdaalders en leeuwendaalders aangemunt, maar met een rechthoek als muntteken.

Het wapen van Friesland, dat uit ca. 1500 dateert, bestaat uit twee gouden gaande leeuwen op een blauw veld; later zijn op het veld gouden blokken aangebracht.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog heeft de provincie Friesland noodgeldbiljetten uitgegeven, gedateerd 12 mei 1940.

J. S.

Lit.: Bundeling van lezingen, gehouden op het "Symposium Friese Numismatiek", 1984 De Beeldenaar (1987) 55-87; ad 1: Velde, W. op den, De in Nederland voorkomende sceatta's I en II, De Beeldenaar (1982) 40-52 en 83-96; Grierson, Ph., The gold solidus of Louis the Pious and its imitations, JMP (95) 1-41; ad 2: Albrecht, G., Das Münzwezen im niederlothringischen und friesischen Raum vont 10. bis zum 12. Jhd. Hamburg 1959; Henstra, D.J., Fon jelde, Groningen 2010; ad 3: Puister, A. T, Friese stedelijke munten, JMP( 1981) 27-46; ad 4: Gelder, H. Enno van, Muntslag van Karel V te Leeuwarden, JMP (1950) 27-30; idem, Nogmaals de Leeuwarder munten van Karel V, GP (1971) 2-3; Stuurman, J.G., Saksische hertogen in Friesland (1498-1515). Aspiraties en muntslag JMP 88 (2001) 73-174; ad 5: Elzinga, G, Een kwart stuiver van Friesland, De Beeldenaar (1979) 108; Wiel, A. van der, Oordjes en duiten van Friesland JMP (1941) 1-38 en (1946/1947) 140-144.



  • Florijn friesland.jpg
  • Friesland.jpg
  • Friesland bezemstuiver.jpg
  • Friesland butken eind 16e eeuw.jpg
  • Friesland dronrijp.jpg
  • Friesland, dubbele stuiver, 1710, zilver.
  • Friesland florijn 055 1614.jpg
  • Friesland florijn 1684.jpg
  • Friesland, koggerdaalder, 1682, zilver.
  • Friesland kwart florijn 1684.jpg
  • Friesland leeuwendaalder 1650.jpg
  • Friesland oord 1608.jpg
  • Friesland postulaatgulden.jpg
  • Friesland, kleine gouden rijder, 1583, goud.
  • Friesland rozenobel ca 1600.jpg
  • Friesland, sceatta, 8e eeuw, zilver.
  • Friesland, Albrecht van Saksen (1498 - 1500), dubbel vuurijzer, zilver.
  • Friesland wichman III penning.jpg
  • Goes handelsbelangen.jpg