Ga naar: navigatie, zoeken

Cambrai

Cambrai (Ned.: Kamerijk), muntplaats, thans gelegen in het Franse departement Nord, was de zetel van een bisdom, na 1559 aartsbisdom, dat vanaf 925, na de deling van het Karolingische rijk (Karolingische muntslag), met het omringende gebied (Cambrésis) tot het Duitse keizerrijk behoorde. In 1007 gingen de grafelijke rechten in Cambrésis over op de bisschop. Het bisdom omvatte aanvankelijk Artesië en grote delen van Brabant, Henegouwen en Vlaanderen. In de 11e en 12e eeuw hadden de Vlaamse graven grote invloed in Kamerijk.

Na een periode van betrekkelijke zelfstandigheid kwam Kamerijk in de 15e eeuw feitelijk in de macht van de Bourgondische hertogen Bourgondische huis. Na de dood van Karel de Stoute werd Kamerijk tijdelijk bezet door de Franse koning.

In 1559 wist Philips II een nieuwe kerkelijke indeling te bewerkstelligen waarbij Kamerijk verheven werd tot aartsbisdom en er eigen bisdommen kwamen voor de Vlaamse en Brabantse gebieden.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was Kamerijk een strategisch belangrijke stad. Om het bezit ervan zeker te stellen, werd er in 1596 een Spaans garnizoen gelegerd. De bisschop mocht nog wel het binnenlands bestuur blijven uitoefenen, maar muntslag werd niet toegestaan.

In 1677 werd het bisdom door Franse troepen bezet en bij de Vrede van Nijmegen in 1678 werd Cambrai definitief door de Spaanse koning afgestaan aan Frankrijk.

Er zijn te Kamerijk Merovingische tremisses geslagen, (Merovingische munten), met het omschrift CAMARACO. Deze aanduiding, evenals CAMARACVS, komt ook voor op Karolingische penningen uit de 9e eeuw. De bisschoppen hebben mogelijk vanaf de 11e eeuw, maar zeker vanaf het midden van de 13 eeuw, aangemunt te Kamerijk en soms te Le Cateau- Cambrésis. Door hun politieke afhankelijkheid konden de bisschoppen van Kamerijk geen onafhankelijke muntpolitiek voeren. Hierdoor was de muntslag afwisselend op Frankrijk of op de Zuidelijke Nederlanden georiënteerd. In de periode van krachtige Bourgondische invloed lag de muntslag meestal stil. In het midden van de 16e eeuw werd te Kamerijk in vrij ruime mate aangemunt door Maximiliaan van Bergen op Zoom en Lodewijk van Berlaymont.

Naast de daalders en rijksdaalders, die het meest frequent in de Noordelijke Nederlanden voorkwamen, werden er ook gouden munten en kleiner zilvergeld geslagen, overeenkomend met die van vele andere Duitse vorsten.

Naast de bisschoppelijke muntslag is er een beperkte muntslag van het kapittel geweest in de 13e en 14e eeuw.

Tijdens de Tachtigjarige oorlog zijn er tweemaal koperen vierkante noodmunten (noodgeld) met de waardeaanduiding in P (patard = stuiver) uitgegeven: in 1581 stukken van 10, 5,2 en 1 patard, in opdracht van het stadsbestuur, en in 1595 stukken van 20, 10, 5, 2 en 1 patard, door de Franse garnizoenscommandant. Zie voor de overige muntplaatsen in de Nederlanden de lijst muntplaatsen.

Lit.: Robert, C, Numismatique de Cambrai, Parijs 1861.

Bisschoppen van Kamerijk (van de bisschoppen, aangeduid met *, zijn geen munten bekend)

Nicolaas van Fontaines 1248-1272 Enguerrand van Créqui 1273-1292 Willem van Henegouwen 1292-1296 Gwijde van Collemède 1296-1306 Philips van Marigny1306-1309 Pieter van Mirepoix 1309-1324 Gwijde van Auvergne 1324-1336 Willem van Auxonne1337-1342 Gwijde van Ventadour1342-1348 Pieter van André 1349-1368 Robert van Genève 1368-1372 Gerard van Dainville 1372-1378 Jan T'Serclaes* 1378-1388 Andries van Luxemburg 1390-1396 Pieter D'Ailly 1398-1411 Jan van Lens 1411-1439 Jan van Bourgondië* 1439-1479 Hendrik van Bergen op Zoom 1480-1502 Jacob van Croy* 1502-1516 Willem van Croy* 1516-1519 Robert van Croy* 1519-1556 Maximiliaan van Bergen op Zoom 1556-1570 Lodewijk van Berlaymont 1570-1596



  • Cambrai maximiliaan van BoZ daalder zj.jpg
  • Cambrai rijksdaalder 1570.jpg