Ga naar: navigatie, zoeken

Bijnaam

bijnaam, voor munten en bankbiljetten: naam die af en toe of door een beperkte groep personen (bijvoorbeeld marktkooplui) naast de algemeen aanvaarde naam gebruikt wordt. Bijnamen (bijvoorbeeld knaak) zijn niet altijd even gemakkelijk te onderscheiden van de algemeen gangbare naam (rijksdaalder), of de officiële naam (twee-en-een- halve gulden).

Vooral bij munten is dit niet eenvoudig, omdat de uitgevende instantie vroeger een nieuwe munt vaak geen eenduidige officiële naam gaf, waardoor de algemeen gangbare naam vaak uit een bijnaam ontstond. Een bekend voorbeeld is de naam stuiver voor de Bourgondische zilveren dubbele groot, die bij eerste uitgifte in 1434 slechts aangeduid werd als: "silveren penningh . . . . die ganck hebben sal voor 2 grooten". De naam stuiver, waarvan de herkomst nog steeds onduidelijk is, ontstond tussen 1434 en 1455. In de tweede helft van de 15e eeuw werd het de algemeen gangbare naam en in de 16e eeuw ook de officiële naam. In de gulden-tijd was het de algemeen gangbare naam voor het muntstuk dat in de muntwet officieel omschreven staat als het "vijf-centstuk".

Soms wordt het voorkomen van meer soorten benamingen door de overheid bewust geaccepteerd en soms zelfs gestimuleerd. Voorbeelden van het eerste geval zijn de zojuist genoemde algemeen gangbare namen rijksdaalder en stuiver: deze namen staan in de muntwet tussen haakjes achter de officiële naam. Een voorbeeld van het tweede geval, waarbij naast de officiële naam direct een tweede naam aangeboden wordt, is het bankbiljet van tweehondervijftig gulden.

Hierop komt naast de coupure-aanduiding, ook de naam "vuurtoren" voor. De Nederlandsche Bank heeft dit bewust gedaan om de benoembaarheid en daardoor de herkenbaarheid van het biljet te vergroten, muntnaam en bargoens.